De Duitsers hielden niet van jazz, maar nu lusten ze er wel pap van

De Duitsers hielden niet van jazz, maar nu lusten ze er wel pap van

Op de tweede CD van de Rotterdamse band The Kik staat het prachtige nummer Schilderstraat. Het gaat over de Rotterdamse muzikant (zanger, accordeonist, saxofonist, componist en tekstschrijver) Jaap Valkhoff. Hij is bekend van nummers als ‘Diep in mijn hart’, maar hij was ook een pionier van de Nederlandse jazz, en bleef in de oorlogsjaren doorspelen. Het nummer bevat de strofe “bij elk publiek had hij succes, maar niet bij de Duitsers want die hielden niet van jazz.” Dat de nazi’s niet van jazz hielden is algemeen bekend, maar ook in Duitse linkse intellectuele kringen werd jazz tot na de Tweede Wereldoorlog gezien als volksvermaak van een laag cultureel niveau.

Theodor Adorno, een belangrijke voorman van de Frankfurter Schule en musicoloog, schreef in zijn essay ‘On Jazz’ uit 1936 dat jazz de vervreemding niet overstijgt, maar juist versterkt en een waar is in de strikte zin. Tegelijkertijd gaf het volgens hem een vals gevoel van terugkeer naar de natuur, terwijl jazz in feite volledig een product van maatschappelijke makelij was. Verder was jazz pseudo-democratisch, omdat collectieve fantasie in plaats van het individuele kwam. Bovendien werd de ideologische functie ervan bevestigd in de mythe van de neger-oorsprong. Adorno spreidde, door neer te kijken op de zwarte bijdrage aan de jazz, een typisch etnocentrisme ten toon. Hij had iets provinciaals, wat het duidelijkst naar voren kwam in zijn gebrek aan belangstelling voor niet-westerse muzikale vormen. Ook vanuit een louter muzikaal oogpunt was jazz volgens Adorno volledig failliet. De maat en syncopering van jazz werden afgeleid van de militaire mars, wat een impliciete relatie met autoritarisme suggereerde, ondanks het feit dat jazz onder de nazi’s verboden was (Jay, 1973, pp. 221-223).

Toch was er ook in Duitsland al vroeg jazz. Dat blijkt uit een Engelstalig overzicht German Jazz op Wikipedia. Een van de eerste boeken met het woord “jazz” in de titel is afkomstig uit Duitsland. In zijn boek Jazz: Eine Musikalische Zeitfrage uit 1927 koppelt Paul Bernhard de term jazz aan een specifieke dans. In 1925 domineerde de Charleston de danszalen. Ondanks de hevige kritiek startte Bernhard Sekles in 1928 de eerste academische jazzopleidingen ter wereld aan het conservatorium in Frankfurt – de eerste cursussen in de Verenigde Staten begonnen halverwege de jaren veertig. De directeur van de jazzafdeling was Mátyás Seiber. De jazzopleidingen werden in 1933 door de nazi’s gesloten. De eerste massaal geproduceerde jazzplaten verschenen in 1917 in de Verenigde Staten. In januari 1920 werd “Tiger Rag” al op de markt gebracht door een Duitse platenmaatschappij. Begin jaren twintig maakte klarinettist en saxofonist Eric Borchard (1886-1934) al opnames in Duitsland. Ook de radio speelde een rol in de jazz. In 1926 begon de radio regelmatig jazzmuziek uit te zenden, en in de loop der tijd, rond 1930, werden artiesten als Louis Armstrong, Duke Ellington, de band van Paul Godwin, Red Nichols en Peter Kreuder populair bij het Duitse publiek. De luisteraars hadden een bijzondere voorkeur voor Amerikaanse zwarte muzikanten zoals Armstrong en Ellington, in plaats van hun eigen Duitse jazzmuzikanten. Ondanks de liberale opvattingen van de Weimarrepubliek was de houding ten opzichte van zwarte mensen, waaronder Afro-Amerikanen, ambivalent; er was een gebrek aan zwarte jazzmusici in Duitsland. Ongeacht hun sociale positie, was het diepgewortelde en geïnstitutionaliseerde racisme in de Duitse samenleving niet tolerant ten opzichte van zwarte mensen.

In de jaren dertig begon de jazz in verval te raken en kreeg de jazz het moeilijk. De associatie van jazz met de onderdrukte minderheden en paria’s van de Duitse samenleving – de zwarten en Joden – maakte het genre verdacht. Tot 1935 hoopte Joseph Goebbels, de Rijksminister van Publieke Voorlichting en Propaganda, het publiek te overtuigen via anti-jazzpropaganda in plaats van jazz te verbieden. Jazz werd echter in 1935 verboden en de naziregering stond Duitse muzikanten van Joodse afkomst niet langer toe op te treden. De Weintraub Syncopators – waarvan de meeste leden Joods waren – werden gedwongen in ballingschap te gaan. Ze werkten gedurende een groot deel van de jaren dertig in het buitenland en toerden door Europa, Azië en het Midden-Oosten voordat ze zich in 1937 in Australië vestigden. Zelfs mensen met slechts één Joodse grootouder, zoals de swingtrompettist Hans Berry, werden gedwongen in het geheim te spelen of in het buitenland te werken (in België, Nederland of Zwitserland). In de naoorlogse periode, na bijna twintig jaar isolatie, toonden veel muziekliefhebbers en muzikanten grote belangstelling voor de jazzstromingen die ze hadden gemist. Jazz gaf jongeren zelfs hoop op een wederopbouw van het land. In jazzclubs draaiden jazzliefhebbers belangrijke platen, nog voordat ze concerten konden organiseren. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd jazz via de sterke banden met Engeland en Frankrijk naar Duitsland geïmporteerd, waardoor er, met name in de Amerikaanse bezettingszone, een eigen naoorlogse jazzscene ontstond. Ironisch genoeg hoorden veel Duitse krijgsgevangenen jazz voor het eerst in de Franse kampen, waarna de geallieerde bezettingsmacht die platen en bladmuziek in het land introduceerde. Berlijn, Bremen en Frankfurt werden jazzcentra. Jonge Duitse muzikanten (zoals de jazzviolist Helmut Zacharias) konden optreden voor een groter publiek in Amerikaanse GI-clubs. Bekende namen in de Duitse Jazzscene vanaf 1950 zijn Erwin Lehn en Kurt Edelhagen, oprichters van gerenommeerde bigbands, pianiste Jutta Hipp, altsaxofonist Emil Mangelsdorff, bassist Eberhard Weber, vibrafonist Gunter Hampel, trompettist Manfred Schoof, tenorsaxofonist Peter Brötzmann, bandleider en multi-instrumentalist Alfred Jarth, klarinettist Theo Jörgensmann, organiste Barbara Dennerlein, gitarist Torsten de Winkel, en trombonist en bandleider Peter Herbolzheimer. De bekendste naam, ook internationaal, in de Duitse jazzscene op dit moment is waarschijnlijk trompettist Till Brönner. In 2016 werd hij door Barack Obama uitgenodigd in het Witte Huis om als enige jazzartiest uit het Duitstalige gebied samen met 45 collega’s de International Jazz Day (30 april) van de UNESCO met een concert te vieren.

Kruisbestuiving tussen Nederland en Duitsland vindt plaats doordat Nederlandse jazzmusici werken en optreden in Duitsland. Een bekend voorbeeld is Ack van Rooyen (1930-2021). In 1960 werd hij trompettist bij de SFB-bigband in Berlijn en daarna de SWR-bigband in Stuttgart. In die periode gaf hij les aan muziekscholen in die stad. Bekend werd Van Rooyen als solist tijdens de concerten en plaatopnamen van het orkest van Bert Kaempfert. Ook speelde hij voor Peter Herbolzheimers bigband Rhythm Combination & Brass. In 1980 keerde hij als docent terug naar het Haags Conservatorium. Zijn broer Jerry van Rooyen (1928-2009) was vanaf 1965 leider van de SFB-bigband in Berlijn en tussen 1985 en 1995 leider van de WDR-bigband in Keulen. Hij schreef honderden arrangementen en composities voor deze bigbands. In 1972 was hij een van de drie componisten van de openingsmuziek van de Olympische Spelen in München. De WDR-bigband is een van de beste bigbands in Europa; op dit moment spelen er vier Nederlanders in deze bigband: Wim Both (trompet), Ruud Breuls (trompet), Rob Bruynen (trompet) en Hans Dekker (drums). Zangeres Greetje Kauffeld (1939) was in Duitsland vooral bekend als schlagerzangeres. Vanaf 1964 woonde ze ook een poosje in Duitsland waar ze veel optrad in tv- en radioshows van de Süddeutscher Rundfunk. Schlagercomponist Heinz Gietz schreef enkele liedjes voor haar en ze trad op met onder meer Paul Kuhn. Intensieve relaties met hun Duitse collega’s werden ook onderhouden door de Nijmeegse drummer Pierre Courbois en de Enschedese toetsenist Jasper van ’t Hof. Vanaf 1964 speelde Pierre Courbois met Manfred Schoof, Alexander von Schlippenbach en Buschi Niebergall in het Heartplants Quintet van de saxofonist en vibrafonist Gunter Hampel. Mede dankzij dit kwintet, dat midden jaren zestig door heel de wereld trok, werd Courbois bekend binnen de jazzwereld. Samen met pianist Jasper van ‘t Hof richtte hij eind 1969 het ensemble Association P.C. op, met de Duitse gitarist Toto Blanke (gitaar) en basgitaristen Sigi Busch of Peter Krijnen. Hiermee toerde hij gedurende de jaren zeventig ook weer in de hele wereld. Van ’t Hof speelde eind jaren zeventig in het kwintet van de Duitse trompettist Manfred Schoof – ze deden in 1976 een grote Aziatische tour – met Michel Pilz (klarinet), Eberhard Weber (bas) en Ralph Hubner (drums). Hij had Schoof al leren kennen tijdens de diens workshops in Remscheid eind jaren zestig waar hij als jonge pianist de eerste kneepjes van het vak bij hem leerde (Riesewijk, 2017, pp. 38-40).

Omgekeerd wisten en weten veel Duitse jazzmusici de weg naar Nederland te vonden. De kroniek van Jazzpodium De Tor is bij uitstek geschikt om daar enig zicht op te krijgen. Zonder enige volledigheid te pretenderen, noem ik een aantal voorbeelden. Ulli Wentzlaff-Eggebert is een bekende verschijning in Jazzpodium de Tor. Zijn bas-bijdragen aan de Dual City Concert Band, Borboleta music, het trio Robinson, Freitag and Caruso en talloze andere combinaties (waaronder het kwintet Mosquito) zijn altijd van hoogstaand en swingend niveau. Zijn eerste optreden in De Tor was op 13 januari 2006 in de Young Vips-tour met de Nederlandse pianist Christoph Mac-Carty en Duitse drummer Yonga Sun. Yonga maakte al in november 2005 zijn debuut in de Tor in het kwartet van Robert Jan Vermeulen en Frans Vermeerssen. De Duitse pianist Sebastian Altekamp speelde al in mei 1992 in de Tor bij het Twentse Saxofoon Treffen. Het was ook zijn eerste optreden met bassist Ruud Ouwehand, er zouden er nog vele volgen. In 2025 zelfs twee keer: in mei bij de presentatie van hun gezamenlijke LP en in juni bij de Jazz Jumelage op het Landgoed Algoed in het kader van 1250 jaar Westfalen. Organisator van die Jazz Jumelage was drummer Sebastian Netta. Zijn historie in De Tor is betrekkelijk recent. In maart 2023 speelde hij er voor het eerst met bassist Jeroen Vierdag in het trio van pianist Mike del Ferro het programma ‘Opera meets Jazz’. Een andere Duitse inbreng op de Jazz Jumelage van 2025 werd verzorgd door zangeres Romy Camerun. In oktober 2006 was ze al met Peter Nieuwerf (gitaar) en Philip Pumplün (drums) te gast bij Ruud Ouwehand, in oktober 2009 met opnieuw Peter Nieuwerf en in oktober 2018 met Sebastian Altekamp. Ulli Wentzlaff-Eggebert, Sebastian Altekamp en Yonga Sun zijn in ons land ook als docent actief, en Ruud Ouwehand was jarenlang docent in Bremen. Een belangrijke link met Duitsland voor Nederlandse jazzmusici zijn ook de Duitse platenstudio’s, in 2025 nog de CD ‘Salud’ van Ewout Dercksen met de Dual City Concert Band opgenomen in Osnabrück.

Het meest expliciet wordt de kruisbestuiving tussen de Nederlandse en Duitse jazz belichaamt door de Duitse tenorsaxofonist Paul Heller, zeker niet alleen door zijn huwelijk met de Nederlandse zangeres Fay Claassen. Ik zag Paul Heller voor het eerst op woensdag 5 oktober 2016 in Theater Bouwkunde in Deventer als gast van het Millennium Jazz Orchestra (MJO) van Joan Reinders. Natuurlijk speelde hij toen ook zijn swingende compositie Chatterbox, dat ook op de CD ‘Nasty Bugs’ uit 2006 staat van de Dual City Concert Band. Het MJO had en heeft meerdere Duitse connecties. Tenorsaxofonist Volker Winck speelde enkele jaren in het MJO, speciaal voor hem schreef Joan Reinders de compositie V.W. (te vinden op de CD ‘Safety Zone’ uit 2014). Ook pianist Dirk Balthaus, drummer Felix Schlarmann en de gebroeders Sperzel uit Schlüchtern (in Hessen) – Gregor op trombone en Florian op trompet en flugelhorn – maken deel uit van het MJO.

Ack van Rooyen en Paul Heller

Ik noem drie bijzondere vormen van samenwerking van Paul Heller (ook lid van de gerenommeerde WDR-bigband) met Nederlandse jazzmusici. De eerste is de CD ‘Trio’ die hij in 2015 maakte met Ruud Ouwehand en drummer John Engels. De tweede is de CD die hij met Ack van Rooyen opnam ter ere van diens 90-jarige verjaardag in 2020. Deze CD kwam uit in 2021 en was een mooie Nederlands-Duitse coproductie met, naast Paul en Ack, Hubert Nuss op piano, Peter Tiehuis op gitaar, Ingmar Heller op bas en Hans Dekker op drums. De derde is de CD ‘United’ (genoemd naar een nummer van Paul Heller) van de bigband Dutch Jazz Collective uit Rotterdam (met ook weer Gregor Sperzel op de trombone), in juni 2025 opgenomen in Lantaren Venster, met als dirigent Nils van Haften. Paul Heller en de Nederlandse trombonist Ilja Reijngoud waren meer dan gasten op deze CD. Ze namen ieder de helft van de composities voor hun rekening.

Kortom: dat de Duitsers niet van jazz hielden, gold voor het verleden, maar nu lusten ze er wel pap van. Zelfs met de Frankfurter Schule kwam het nog goed. Haar bekendste vertegenwoordiger vanaf de zestiger jaren Jürgen Habermas heeft zelf geen specifieke werken over jazzmuziek geschreven, hij staat bekend om zijn theorie van het communicatieve handelen en deliberatieve democratie. Maar zijn theorieën worden in de academische literatuur wel vaak toegepast op jazz, met name als een metafoor of analogie voor democratische processen en sociale interactie. Jazz wordt daarin gezien als een vorm van communicatieve actie, waarbij de muzikanten via muzikale “argumenten” (noten, ritmes) een gezamenlijk doel bereiken, ondanks de onvoorspelbaarheid van de performance. De belangrijkste woordvoerder van de Frankfurter Schule op dit moment Hartmut Rosa (2016), geeft de muziek een centrale plaats in de resonantiesfeer van kunst, natuur en religie. In tegenstelling tot veel eerdere sociologen binnen de kritische traditie maakt hij geen onderscheid tussen klassieke muziek en andere genres. Voor Rosa zijn alle genres even belangrijk voor het creëren van een innerlijke resonantie.

Literatuur

  • Jay, Martin (1973). De dialectische verbeelding: Een geschiedenis van de Frankfurter Schule en het Institut für Sozialforschung. AMBO Basisboeken.
  • Riesewijk, Hans (2017). Jasper van ’t Hof: Een romanticus uit notenhout gesneden. Uitgeverij Schallinck.
  • Rosa, Hartmut (2016). Leven in tijden van versnelling: Een pleidooi voor resonantie. Boom.
  • Wikipedia, German Jazz: German jazz – Wikipedia
  • Wikipedia, Till Brönner: Till Brönner – Wikipedia
Een plaat, live muziek en plezier

Een plaat, live muziek en plezier

Vrijdag 16 mei Jazzpodium De Tor: een avond gewijd aan de presentatie van de LP (langspeelplaat) van Sebastian Altekamp (piano) en Ruud Ouwehand (contrabas). De plaat bevat een registratie van een Tor-concert van twee jaar terug. Acht stukken daarop, alle Ouwehand-composities. Deze avond werd een aantal daarvan ten gehore gebracht, aangevuld met wat opmerkelijk ander werk, waarover zo meer.

Eigenlijk had de avond wat weg van een uit de kluiten gewassen familiefeest. De zaalopstelling was ‘over dwars’ zodat het publiek meer om het podium heen zat. Dat heeft op zich al wat intiems. Je kan elkaar zo ook wat beter gadeslaan. Veel reguliere bezoekers, goed voor wat extra joligheid. Zeker ook aangewakkerd door de onderhoudende aankondigingen van de bassist en de interactie die hij bij het publiek uitlokte.

Te beginnen met een door allen te zingen toonladder: do-re-mi op en af, ondersteund door piano en bas. Het eerste echte stuk was ook het eerste nummer van de LP, ‘Blow your horn’. Die horn moest je er maar bij denken want het bleef een avond van piano en bas. Daar had men het mee te doen, zou je denken. Maar het derde stuk, de toonladder meegerekend, was wel heel apart en misschien wel een hoogtepuntje: een door de muzikanten a capella uitgevoerde ‘Homework Blues’. Niet van de LP, het was één van Ouwehands eerste composities, geen rechttoe rechtaan melodietje maar een verrassend bebop-achtig werkje vol grapjes, kunstig unisoon gezongen en aangevuld met wat stamp en klapwerk. Leuk, de avond kon nauwelijks meer stuk. Hilarisch heet dat in meer eigentijdse bewoording.

Bijzonder was de keuze voor twee eeuwen oude liederen, voor de pauze ‘Merck toch hoe sterck’ en in de tweede helft ‘Nun ruhen alle Wälder’, die beide evenmin op de plaat voorkomen. Ze nu weer eens horend best sterke melodieën met daarop mooie improvisaties. Hier had wat strijkstokwerk niet misstaan, maar dat bewaarde Ouwehand voor het nummer ‘Waltz no 1’.

Ook verrassend was na de pauze een gastoptreden van zanger Marijn Ouwehand. Allereerst nam hij de zaal nog eens mee in het oefenen van de toonladder. Altijd nuttig. Daarna een uitvoering van La Waltz 2,3 waarop de zanger een tekst had geschreven. Ook weer zo’n leuk uitstapje. Nog zo’n opsteker, dan weer piano en bas samen – ook van de plaat – was ‘The Mailman’, een vrolijk liedje over een fluitende postbode, aldus de hoestekst. Zo hielden de mannen de stemming er uitstekend in.

Nog even over die LP. Wat moet je ermee als in het beste geval je draaitafel al jaren uitgespeeld op zolder ligt en menigeen zijn muzikale behoeften alleen nog maar gestreamd vervult. Geen nood, de muziek zal ook via streamingsdiensten worden aangeboden. Tsja, modern times. Maar voor wie zich de plaat toch aanschafte blijft er de mooi uitgevoerde hoes (coverontwerp Diana Huijts) met uitgebreide informatie en zelfs een fors uitgevallen boekwerkje op 33 toerenformaat met de bladmuziek van de Ouwehand composities. Die noten zijn trouwens wel zeer ruimhartig ge-layout: geschikt voor kindertjes en evenzeer voor ouderen, zelfs zonder leesbril. Op het door Ouwehand aangevoerde selling point dat het boekwerk op de lessenaar van de piano indruk zal maken, valt gelet op die knoepert groot afgedrukte partijen nog wel wat af te dingen. “Och, wie is hier begonnen piano te spelen?”. Maar dat is flauw, de LP is een heel mooi en compleet uitgevoerd product geworden. Waaruit ook is te zien hoezeer de gehele familie Ouwehand, waaronder Miriam (aanjager), Bas (opnameleider), Marijn en andere intimi bij dit bijna twee jaar vergende project betrokken waren.

We moeten toch nog maar eens naar zolder en kijken of die ouwe spullen het nog doen. Gelet op wat er deze avond aan mooie en blije muziek te luisteren viel, lijkt dat zeer de moeite waard.

 

LP bestellen

Op 26 mei 2023 vond er in Jazzpodium De Tor in Enschede een unieke avond plaats. Dat gebeurt daar wel vaker, maar dit keer ging het om een bijzondere masterclass. Contrabassist, componist en conservatoriumdocent Ruud Ouwehand leidde de sessie samen met zijn voormalige leerling en inmiddels gerenommeerde pianist Sebastian Altekamp. Het resultaat is deze LP.

Een Amerikaan in Europa

Een Amerikaan in Europa

Typische titel voor het vrijdagavond 25 oktober 2024 Tor-concert: European Jazz 5tet. Terwijl een van de prominente leden van de andere kant van de plas komt: de Amerikaanse trompetist Joe Magnarelli. Internationaal was het wel, met de Engelse pianist Rob Barron, de Oostenrijkse slagwerker Bernd Reiter en NL-inbreng van Rik van den Bergh baritonsaxofoon, en Marius Beets op contrabas.
Een stelletje klasbakken, vakmannen die een stevig partijtje hard bop neerzetten. Deze avond was de afsluiting van een intensieve tour, waarin de afgelopen tien dagen Zwolle, Amersfoort, Breda, Deventer, Londen, Amsterdam en nu Enschede werden aangedaan. Voor Magnarelli was dit onderdeel van een grotere Europese tour, met onder meer Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland op het programma. Direct na afloop van het Tor-concert zou hij met bestemming Madrid doorreizen naar Schiphol. Zo ziet men wat van de wereld!
In Enschede was het (bijna als gebruikelijk) een uitverkocht huis. Wat een formule hebben ze daar toch in handen. Een mooi, zeer jazz-waardig onderkomen, vele vrijwilligers die de boel aan de gang houden en bovenal een fantastische programmering. Alle credits in deze voor Ruud Ouwehand.

Afgetrapt met een up-tempo ‘Tadd’s Delight’ werden sfeer en toon gezet. Alle spelers meteen aan de bak. Met Magnarelli stond er een beste trompettist op het podium. Bijna een halve eeuw New Yorkse leerschool klonken door in het ogenschijnlijke speelgemak, zijn heldere en trefzekere toon en de opbouw van zijn soli. Het podium is zijn habitat.

Voor menigeen en zeker de saxofonisten onder zijn gehoor, was de bijdrage van baritonist Rik van den Bergh, een feestje.
Wat in zijn spel elke keer weer opvalt is zijn articulatie, ook snelle passages blijven klinken en alle nootjes worden hoorbaar geraakt. “Zo hoort het toch”, reageert Van den Bergh laconiek. Het maakt zijn spel helder en transparant. Leuk is ook hoe hij sommige van zijn frasen inzet met een diepe schep uit het laag van zijn instrument. Überhaupt is een bari in zo’n bebop-ensemble een prettige afwisseling op de meer gangbare formaties.
Hoe mooi klonk hij ook in een van de twee ballads van de avond, ‘When Sunny gets blue’. Yes, daar kom je voor naar een concert. Vooral een zangnummer trouwens, ik tip hier de versie van Mel Tormé. Aardig verhaaltje over de bijzondere historie van dit nummer stipte Van den Bergh ook aan. In de jaren ‘80 ging LA-diskjockey Rick Dees met de tekst aan de haal en maakte er ‘When Sunny sniffs glue, etc’ van. De componisten Fisher & Segal spanden daarop een proces aan wegens schending van het auteursrecht. De rechter wees de claim af omdat het hier om een grap ging, niet gericht tegen de oorspronkelijke tekst. Het vonnis werd belangrijke pijler in de Amerikaanse jurisprudentie over auteursrecht.

Acht van de tien stukken waren in uptempo, of tenminste behoorlijk medium. Hoort ook wel bij het genre. En volop ruimte voor slagwerker Reiter. Redelijk onbewogen (nee, niet zo erg als Rolling Stone-drummer Charlie Watts) achter zijn slagwerk gezeten speelde hij levendig en met veel variatie, als begeleider ook trommelend het nodige commentaar gevend. Zijn soli (dat waren er best veel) waren mooie spektakelstukjes die door het publiek met gejuich werden beloond. Apart dat drumsolo’s daar kennelijk vaak toe uitnodigen.

Pianist Barron was al evenzeer van de categorie professioneel. Een effectieve begeleider en zijn soli klonken prettig in het gehoor. Niets mis mee.
Last but zeker niet least, bassist Marius Beets. Een vertrouwd gezicht in Twentse kringen – oké, Groenlo hoort dan misschien tot de Achterhoek – in elk geval in De Tor. Zijn spel staat als een huis en hij vormt een vanzelfsprekend onderdeel in dit internationale gezelschap. Als Marius meedoet zit het goed. Zijn soli: aangename rustpunten, die tot luisteren uitnodigen. Zelfs de meest verstokte leuteraars worden dan zowaar even stil. When Marius gets blue…

Kortom, een dikvoormekaar concert, waarmee zoals Van den Bergh aangaf een reeks van tien concerten tot een eind kwam. Ik kon me niet losmaken van de gedachte dat ook een beetje te horen. Een toegift zat er niet meer in.
Prima muziek, vakwerk, veel routine, maar hier en daar een tikkeltje meer bevlogenheid had het geheel vervolmaakt.

 

Ilja Reijngoud, Ed Verhoeff & Tineke Postma – Dutch Real Book

Ilja Reijngoud, Ed Verhoeff & Tineke Postma – Dutch Real Book

Trombone, saxofoon, gitaar, gespeeld door Ilja Reijngoud, Tineke Postma en Ed Verhoeff. Niet zo’n alledaagse combinatie, maar waar toch een goed gevulde Tor zich op vrijdag 27 september 2024 toe aangetrokken voelde. Geafficheerd als de ‘The Art of Two’ (het duo Reijngoud en Verhoeff), aangevuld met Tineke Postma. Een beetje een omweg, want als trio staan ze in deze samenstelling bepaald niet voor het eerst op de planken. Het vertrekpunt-met-twee zat ‘m vermoedelijk in de EP die beide heren vorig jaar uitbrachten met vijf (vier) stukken uit ‘het Dutch Real Book’.

Reijngoud, Postma, Verhoeff

Het Dutch Real Book. Reijngoud peilde in zijn opening het publiek of hen dat wellicht wat zei. Nee, niet echt zo bleek. Voor wie minder vertrouwd is met de praktijk van de (jazz-)muziekbeoefening daarom: het fenomeen Real Book is iets dat stamt uit de jaren ’70. Naar men zegt twee studenten, van gitarist Pat Methenu en vibrafonist Gary Burton, aan het Berklee College of Music in Boston begonnen bladmuziek van bekende en minder bekende jazzstukken te verzamelen en te bundelen. Die praktijk bestond al sinds de jaren ’20, toen muzikanten bij gebrek aan (dure) originele versies van de componisten, de jazzmuziek zelf begonnen uit te schrijven. Fake books, noemde men dat. Van de jazz sinds de jaren ’50 was er wel veel beschikbaar maar vooral in veel verschillende varianten. Als we daar nu eens wat ordening in brengen, zo was de gedachte, dan vergemakkelijkt dat het samenspelen, dan hebben we het in het studielokaal en op het podium over hetzelfde. Die stapels bladmuziek gingen door het universiteitskopieerapparaat en werden in een dikke ringband aan de medestudenten verkocht. Onder de naam ‘Real Book’. Met dezelfde bladzij-nummering uitgegeven in verschillende toonsoorten, voor instrumenten met een andere stemming.

Hartstikke clandestien en illegaal, in voorbijgaan aan alle auteursrechten. Zo bleven de Real books jarenlang obscure, maar zeer handige hebbedingen. Ik kocht begin jaren ’90 mijn eerste Real book bij de gerenommeerde Sam Ash Musicstore in New York, toen nog gevestigd op de hoek van de 48ste Street en Broadway. Min of meer stiekem, vanuit een opslaghok achter de toonbank en ver van de schappen met officiële bladmuziek. In een bruine zak, alsof het clandestiene alcohol was. Maakte het wel extra spannend. Toch ging die status er snel vanaf, zeker toen uitgever Hal Leonard zich begin deze eeuw over de collectie ontfermde en deze officieel, voor zover mogelijk met in achtneming van alle auteursrechten, begon uit te geven. De Real books waren nu ‘echt’ en werden de standaard voor veel beoefenaars van jazzmuziek. Het vormde in elk geval een uitgebreide verzameling van zo’n 1.000 jazzstukken, een beetje de belichaming ook van het American Songbook.

Na die standaardisatie ontstonden spontaan allerlei varianten, zoals een Bossa-book, een Christmassong-book, maar dus ook een Dutch Real Book (zo ook een Brabantse variant, een Limburg-Edition, en veel meer). Een dikke tien jaar geleden verscheen vanuit het Amsterdamse het NL-Realbook, met zo’n vijftigtal composities van NL-bodem. Eigenlijk een best bonte verzameling, maar dat is in de echte Real boeken niet anders. In hun voorwoord schrijven de makers dat het boek in ontwikkeling blijft, maar bij mijn weten is het bij een eerste druk gebleven.

Ach, wat een woorden (maar het verhaal is eigenlijk zo bijzonder en belangrijk voor de jazzpraktijk) maar nog bijna niets geschreven over het concert. Welnu, op twee stukken na werd er NL-werk gespeeld, het meeste inderdaad uit het Dutch Real Book, aangevuld met eigen composities van de muzikanten op het podium.

Ilja Reijngoud, trombone

De onbekendheid met de meeste van die stukken – zelfs Dag, Schatteboutje (… dag, aardig vrouwtje, een Ramblers-hit uit de jaren ’40, was stevig onderhanden genomen. De in onze oren van nu wat tuttig aandoende vrolijke huppelswing was er in elk geval zeker vanaf), maakte dat de luisteraar op voorhand niet al te veel aanknopingspunten had met wat er komen ging. Gewoon luisteren naar wat er op je afkomt, het nemen zoals het gebracht wordt, weinig plek voor het comfortabel wegstoppen in hokjes van het vertrouwde. Waarbij je het ook nog eens had te doen met twee, soms drie, solisten zonder de leidraad van piano, bas of drums.

Avontuur van klanken dus. Waarbij de gitaar het meeste van de structuur liet horen. De klank en de volgorde van de akkoorden viel daardoor misschien nog wel extra op vergeleken bij een meer vertrouwde bezetting. Even zoeken naar en wennen aan dat klankbeeld, maar dan is er volop ruimte om het geheel in het oor een plek te geven.

Tineke Postma, sopraan/altsax

Fantastische watervallen van noten door trombonist Ilja Reijngoud, technische hoogstandjes maar wel steeds passend in het verhaal, even indrukwekkend als onderhoudend.

Tineke Postma speelde in hoofdzaak sopraansax, af en toe de alt. Maar op beide instrumenten klonk het vakmanschap overtuigend door. Goede wijn … Bij de toch wat zwaardere trombone-, en de elektrische gitaarklanken kon de sopraan jubelend met haar boodschap aan de haal gaan. Haar altklank was echt Postma, al deed die mij soms ook denken aan, ik durf het nauwelijks te zeggen, PD. Dus mooi was het.

Ed Verhoeff, gitaar

Als aangegeven, gitarist Ed Verhoeff vormde vaak een prettig houvast in het geheel met strak, ondersteunend en stuwend begeleidingswerk. Zijn solo’s waren onvermijdelijk wel heel solo, maar dat deed niet af aan de zeggingskracht.

Al met al, een minder gangbaar jazzensemble op het podium, maar aan improvisatie geen gebrek, zonder dat het ooit op hol sloeg of uitmondde in een klankenrijstebrij. Voor wie het allemaal wat erg ver weg van het vertrouwde was, moet de schoonheid van Rogier van Otterloos ‘Dat mistige rooie beest’ toch geholpen hebben ook van het overige te genieten.

Het was anders, maar het beluisteren meer dan waard.

 

 

 

 

Dubbelstad concert

Dubbelstad concert

Een kleine 35 jaar geleden werd de Dual City Concert Band (met één van de founders nog steeds midvoor op de eerste blazersrij) opgericht. Dual City was een knipoog naar een serieuze poging om de steden Enschede en Hengelo samen te voegen onder de Donald Duck-achtige werknaam ‘Dubbelstad’. Die samenvoeging is dus niet gelukt en al kwam de DCCB best wel eens in Hengelo, Enschede en met name Jazzpodium De Tor werd en bleef de thuishaven. Aan de naam werd niet meer gesleuteld, men kon nooit weten …

Vrijdag 5 april stonden ze weer in de Tor geprogrammeerd, maar helaas, het concert bleek al weken tevoren uitverkocht. Twee dagen later was er een tweede voorstelling, met dezelfde bezetting en dezelfde gastsolisten. In de theaterzaal van de Zutphense Hanzehof dan wel. Enschede en Zutphen, waarom ook niet.

De verleiding is groot om vooral de locaties te vergelijken. Wie in ruim 20 jaar vertrouwd is geraakt met de DCCB-sound in de zo klassieke jazzclub omgeving van De Tor moet even wennen aan de veroordeling tot een genummerde pluchen stoel in de overigens alleraardigste theaterzaal. Het voorafgaand wachten in de foyer is op zich al zoiets. Och, wat is de Tor toch uniek. Maar nu dan toch de muziek, daar kwamen we voor.

Een programma van tien stukken, door een pauze weer terug in die foyer, met bar trouwens, in tweeën geknipt. Allemaal composities van de Italiaanse pianist Enrico Pieranunzi, alle gearrangeerd door de Belgische trompettist Bert Joris. Die stukken hadden ze al eerder met elkaar gedaan, alle voorkomend op twee gezamenlijke cd’s: ‘The Music of Enrico Pieranunzi” (2015) met het Brussels Jazz Orchestra en ‘Chet Remembered’ (2023) met de Frankfurt Radio BB. Aan de DCCB om die stukken ook zo maar even te doen. Da’s goed gelukt.

Wat meteen opviel was het uitstekende, transparante geluid. Piano, bas en drums klonken zoals je het wil horen en de blazers daarnaast vulden aan tot een breed bigbandgeluid waarbij de verschillende secties goed waren uitversterkt. Na de pauze in weerwil van de genummerde plaatsen achterin de zaal gaan zitten en daar klonk het helemaal top, zoals ik de band eigenlijk nog nooit had gehoord. Een ‘concert’-band. Heel mooi.

Bert Joris

De liedjes waren vooral charmant, ook bij een eerste kennismaking goed te volgen en Pieranunzi soleerde er lustig en onderhoudend op los. Joris deed (samen met Ewout Derksen trouwens) de aankondigingen en liet de thema’s met zijn trompet of bugel goed uitkomen. Zijn solowerk was ook al lief en dromerig. Koen Edeling typeerde het Enschedese concert als ‘in een mellow mood’. Dat was in Zutphen weinig anders. Af en toe kon één van de DCCB-leden naar de solistenmicrofoon, bijna alle saxofonisten kregen zo wel de beurt, zo ook trombonist Matthias Konrad, al bleef het merendeel van het solospel wel zeer voorbehouden aan de twee gastspelers. Een wat bescheiden DCCB dus eigenlijk.

In het laatste stuk, de vette ‘Brown Cat Dance’, kon de band toch nog even uitpakken!

O ja, en niet te vergeten weer zo’n fantastisch gestreken bassolo van Taeke Stol, met Parker-citaten en al – in up tempo dus. Nou zit je in zo’n concertzaal niet gauw met elkaar te praten, maar de bekende grappen dat de bassolo tijd is voor een goed gesprek, gaat bij Stol al helemaal niet op.

Na nummertje tien nog een toegift en wat voor één. Niet een gemakzuchtige herhaling of een flodderig bluesje, maar een wonderschone ‘Within the house of night’. Een mooi gearrangeerde feature voor de kopersectie en met name de trombones, inclusief een demo van Gert Nijenbanning hoe laag een bastrombone kan komen. Laag dus!

Genieten daar achter in die zaal.

Kortom, een zondagmiddag met groot muzikaal vermaak en qua sound klonk het opperbest. Maar ja, een theater is geen jazzclub, en na nog één kopje thee veel te fris in de kop op hoes opan.

Zang, piano, sax, gitaar en bas. En een beetje dans

Zang, piano, sax, gitaar en bas. En een beetje dans

Vrijdag 15 december 2023, uiteraard weer jazzavond in de Enschedese Tor. Eén van die fijne winteravonden in aanloop naar de Kerst. In de stad ‘Enschede lights up’, een lichtkunstroute door de binnenstad. Heel sfeervol en veel volk op de been. Waar parkeren in de binnenstad toenemend een probleem is, was dat deze avond helemaal mission impossible. Om deze eerste seizoenshelft niet tegen nog een parkeerbon op te lopen, noodzakelijkerwijs ver van de Walstraat toch een plekkie weten te scoren en zo ook een stukje van de lichtshow kunnen meepakken. Opwarmertje voor het concert van die avond, met een attractief en veelbelovend affiche.

Ga maar na, de Amerikaanse gitaar-kanjer Saul Rubin, Floriaan Wempe op tenorsax, Heleen Schuttevaêr zang en piano en last but not least Ruud Ouwehand op bas. Tevoren nog even gegoogeld; dat moest wat worden.

Maar ik kan er niet omheen, het viel me uiteindelijk toch wat tegen.

Ondanks het fantastische gitaarspel van Rubin. Soeverein op zijn instrument, solo’s die aandacht bleven trekken, geen goedkoop kopieerwerk van andere gitaargiganten, gewoon een klasse apart. En ondanks Floriaan Wempe, een saxofonist waarmee ik minder bekend was, maar voor mij eigenlijk de verrassing van de avond. Prachtig volle toon, pietsie subtones, vooral heel aangenaam om naar te luisteren. Ook zijn solowerk was niet van de platgetreden paden. Goed hoor. En (uiteraard) ondanks bassist Ruud Ouwehand. Met zijn volle toon, stuwende beat en altijd geestige improvisaties vol met ‘zoek de citaten-spelletjes’. Hoort zonder twijfel tot de vaderlandse bastop, hetgeen hij ook deze avond weer demonstreerde.

En dan de dame in het hofje, Heleen Schuttevaêr, pianist vocalist, composer, journalist, programmamaker, organiseerder en wat niet meer. Zij was het ook die eerder met Saul Rubin in New York samenspeelde, en die hem nu voor een tour naar Europa wist te halen.

Van de 12 gespeelde nummers, deed zij er slechts zes mee. Na ‘All the things you are’ (inclusief het vertrouwde Peter Nieuwerf/Ruud Ouwerhand intro) en ‘I love you’, volgde de eerste bijdrage van de zangeres en dat was dan ook een heel beste – voor mij misschien wel de beste van de avond – ‘That’s all’. Een mooi stemgeluid, mooi gezongen, met een rake tekstbehandeling. Puntje van de stoel werk.

In het vierde nummer, ‘Get out of town’ nam ze voor het eerst ook plaats achter de piano, daarna weer een triostuk, ‘La Waltz 2 3’. Leuk hoe Rubin en Wempe Ouwehands thema net een iets andere touch gaven. Waardoor je ook kon horen dat de mannen dit nummer nog niet al te vaak – vermoedelijk een understatement – hadden samengespeeld.

Afsluiter voor de pauze was een ‘blues’ (op voorhand kreetjes van opwinding uit het publiek) waarvoor het kwartet Mose Allinsons’ ‘Your mind is on vacation’ koos. De opwinding ging aan mij eerlijk gezegd een beetje voorbij.

Na de pauze wederom gevarieerde opstellingen op het podium. Eerst weer een triostuk, gevolgd door ‘How deep is the ocean’, waarin Schuttevaêr na de originele tekst vervolgens een door haar geschreven Nederlandse variant toevoegde.

Daarna weer een nieuwe verrassing, toen Schutteveâr haar vriendin en collegazangeres Ineke Heijliger op het podium haalde en samen zongen ze het leuke ‘I just found out about love (and I like it)’. Ineke Heijliger is in De Tor natuurlijk geen onbekende en de weduwe van de zo plotseling overleden gitarist Peter Nieuwerf waarnaar deze avond meermalen werd verwezen, stond in het verleden als zangeres zelf ook vaker op het Enschedese jazzpodium. Hun samenzang was vooral spontaan en hun jarenlange routine klonk in elk geval goed door.

Vervolgens weer een triostuk over Android dat ondanks de virtuositeit van de spelers voor mij toch niet echt als een trio klonk.

Het kon niet op, want een Engelstalige jongedame uit het publiek die al wat meer van zich had laten horen, trad naar voren om de band en de zaal te verleiden om voor haar jarige vriend te spelen en zingen. Vooruit we zijn de beroerdsten niet.

Al was haar timing op z’n minst wat ongelukkig: Saul Rubin had er net daarvoor de tijd voor genomen om het volgende nummer ‘The Golden Rule’ te introduceren, refererend aan een lang telefoongesprek met tenorist Sonny Rollins waarin zij verschillende godsdiensten bespraken en daaruit een gemeenschappelijke deler probeerden te onderscheiden, ‘The golden rule’. Dat kwam neer op zoiets als wat u niet wil dat u geschiedt … Maar goed, eerst Lang zal ze leven, op z’n Engels. Vervolgens toch het bewuste stuk, uitgevoerd door gitaar en bas. Het had bepaald even tijd nodig voordat alles een beetje op zijn plek viel.

Nou, de finale dan maar: ‘I’m old fashioned’ van Kern en Mercer. Vrolijke afsluiter in Twentse latin (ik citeer) met ook gastvocaliste Ineke Heijliger er weer bij. De Engelstalige jongedame maakte met het glas in de hand een dansje en zo sloot de avond in opperbeste stemming.