Op de tweede CD van de Rotterdamse band The Kik staat het prachtige nummer Schilderstraat. Het gaat over de Rotterdamse muzikant (zanger, accordeonist, saxofonist, componist en tekstschrijver) Jaap Valkhoff. Hij is bekend van nummers als ‘Diep in mijn hart’, maar hij was ook een pionier van de Nederlandse jazz, en bleef in de oorlogsjaren doorspelen. Het nummer bevat de strofe “bij elk publiek had hij succes, maar niet bij de Duitsers want die hielden niet van jazz.” Dat de nazi’s niet van jazz hielden is algemeen bekend, maar ook in Duitse linkse intellectuele kringen werd jazz tot na de Tweede Wereldoorlog gezien als volksvermaak van een laag cultureel niveau.
Theodor Adorno, een belangrijke voorman van de Frankfurter Schule en musicoloog, schreef in zijn essay ‘On Jazz’ uit 1936 dat jazz de vervreemding niet overstijgt, maar juist versterkt en een waar is in de strikte zin. Tegelijkertijd gaf het volgens hem een vals gevoel van terugkeer naar de natuur, terwijl jazz in feite volledig een product van maatschappelijke makelij was. Verder was jazz pseudo-democratisch, omdat collectieve fantasie in plaats van het individuele kwam. Bovendien werd de ideologische functie ervan bevestigd in de mythe van de neger-oorsprong. Adorno spreidde, door neer te kijken op de zwarte bijdrage aan de jazz, een typisch etnocentrisme ten toon. Hij had iets provinciaals, wat het duidelijkst naar voren kwam in zijn gebrek aan belangstelling voor niet-westerse muzikale vormen. Ook vanuit een louter muzikaal oogpunt was jazz volgens Adorno volledig failliet. De maat en syncopering van jazz werden afgeleid van de militaire mars, wat een impliciete relatie met autoritarisme suggereerde, ondanks het feit dat jazz onder de nazi’s verboden was (Jay, 1973, pp. 221-223).
Toch was er ook in Duitsland al vroeg jazz. Dat blijkt uit een Engelstalig overzicht German Jazz op Wikipedia. Een van de eerste boeken met het woord “jazz” in de titel is afkomstig uit Duitsland. In zijn boek Jazz: Eine Musikalische Zeitfrage uit 1927 koppelt Paul Bernhard de term jazz aan een specifieke dans. In 1925 domineerde de Charleston de danszalen. Ondanks de hevige kritiek startte Bernhard Sekles in 1928 de eerste academische jazzopleidingen ter wereld aan het conservatorium in Frankfurt – de eerste cursussen in de Verenigde Staten begonnen halverwege de jaren veertig. De directeur van de jazzafdeling was Mátyás Seiber. De jazzopleidingen werden in 1933 door de nazi’s gesloten. De eerste massaal geproduceerde jazzplaten verschenen in 1917 in de Verenigde Staten. In januari 1920 werd “Tiger Rag” al op de markt gebracht door een Duitse platenmaatschappij. Begin jaren twintig maakte klarinettist en saxofonist Eric Borchard (1886-1934) al opnames in Duitsland. Ook de radio speelde een rol in de jazz. In 1926 begon de radio regelmatig jazzmuziek uit te zenden, en in de loop der tijd, rond 1930, werden artiesten als Louis Armstrong, Duke Ellington, de band van Paul Godwin, Red Nichols en Peter Kreuder populair bij het Duitse publiek. De luisteraars hadden een bijzondere voorkeur voor Amerikaanse zwarte muzikanten zoals Armstrong en Ellington, in plaats van hun eigen Duitse jazzmuzikanten. Ondanks de liberale opvattingen van de Weimarrepubliek was de houding ten opzichte van zwarte mensen, waaronder Afro-Amerikanen, ambivalent; er was een gebrek aan zwarte jazzmusici in Duitsland. Ongeacht hun sociale positie, was het diepgewortelde en geïnstitutionaliseerde racisme in de Duitse samenleving niet tolerant ten opzichte van zwarte mensen.
In de jaren dertig begon de jazz in verval te raken en kreeg de jazz het moeilijk. De associatie van jazz met de onderdrukte minderheden en paria’s van de Duitse samenleving – de zwarten en Joden – maakte het genre verdacht. Tot 1935 hoopte Joseph Goebbels, de Rijksminister van Publieke Voorlichting en Propaganda, het publiek te overtuigen via anti-jazzpropaganda in plaats van jazz te verbieden. Jazz werd echter in 1935 verboden en de naziregering stond Duitse muzikanten van Joodse afkomst niet langer toe op te treden. De Weintraub Syncopators – waarvan de meeste leden Joods waren – werden gedwongen in ballingschap te gaan. Ze werkten gedurende een groot deel van de jaren dertig in het buitenland en toerden door Europa, Azië en het Midden-Oosten voordat ze zich in 1937 in Australië vestigden. Zelfs mensen met slechts één Joodse grootouder, zoals de swingtrompettist Hans Berry, werden gedwongen in het geheim te spelen of in het buitenland te werken (in België, Nederland of Zwitserland). In de naoorlogse periode, na bijna twintig jaar isolatie, toonden veel muziekliefhebbers en muzikanten grote belangstelling voor de jazzstromingen die ze hadden gemist. Jazz gaf jongeren zelfs hoop op een wederopbouw van het land. In jazzclubs draaiden jazzliefhebbers belangrijke platen, nog voordat ze concerten konden organiseren. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd jazz via de sterke banden met Engeland en Frankrijk naar Duitsland geïmporteerd, waardoor er, met name in de Amerikaanse bezettingszone, een eigen naoorlogse jazzscene ontstond. Ironisch genoeg hoorden veel Duitse krijgsgevangenen jazz voor het eerst in de Franse kampen, waarna de geallieerde bezettingsmacht die platen en bladmuziek in het land introduceerde. Berlijn, Bremen en Frankfurt werden jazzcentra. Jonge Duitse muzikanten (zoals de jazzviolist Helmut Zacharias) konden optreden voor een groter publiek in Amerikaanse GI-clubs. Bekende namen in de Duitse Jazzscene vanaf 1950 zijn Erwin Lehn en Kurt Edelhagen, oprichters van gerenommeerde bigbands, pianiste Jutta Hipp, altsaxofonist Emil Mangelsdorff, bassist Eberhard Weber, vibrafonist Gunter Hampel, trompettist Manfred Schoof, tenorsaxofonist Peter Brötzmann, bandleider en multi-instrumentalist Alfred Jarth, klarinettist Theo Jörgensmann, organiste Barbara Dennerlein, gitarist Torsten de Winkel, en trombonist en bandleider Peter Herbolzheimer. De bekendste naam, ook internationaal, in de Duitse jazzscene op dit moment is waarschijnlijk trompettist Till Brönner. In 2016 werd hij door Barack Obama uitgenodigd in het Witte Huis om als enige jazzartiest uit het Duitstalige gebied samen met 45 collega’s de International Jazz Day (30 april) van de UNESCO met een concert te vieren.
Kruisbestuiving tussen Nederland en Duitsland vindt plaats doordat Nederlandse jazzmusici werken en optreden in Duitsland. Een bekend voorbeeld is Ack van Rooyen (1930-2021). In 1960 werd hij trompettist bij de SFB-bigband in Berlijn en daarna de SWR-bigband in Stuttgart. In die periode gaf hij les aan muziekscholen in die stad. Bekend werd Van Rooyen als solist tijdens de concerten en plaatopnamen van het orkest van Bert Kaempfert. Ook speelde hij voor Peter Herbolzheimers bigband Rhythm Combination & Brass. In 1980 keerde hij als docent terug naar het Haags Conservatorium. Zijn broer Jerry van Rooyen (1928-2009) was vanaf 1965 leider van de SFB-bigband in Berlijn en tussen 1985 en 1995 leider van de WDR-bigband in Keulen. Hij schreef honderden arrangementen en composities voor deze bigbands. In 1972 was hij een van de drie componisten van de openingsmuziek van de Olympische Spelen in München. De WDR-bigband is een van de beste bigbands in Europa; op dit moment spelen er vier Nederlanders in deze bigband: Wim Both (trompet), Ruud Breuls (trompet), Rob Bruynen (trompet) en Hans Dekker (drums). Zangeres Greetje Kauffeld (1939) was in Duitsland vooral bekend als schlagerzangeres. Vanaf 1964 woonde ze ook een poosje in Duitsland waar ze veel optrad in tv- en radioshows van de Süddeutscher Rundfunk. Schlagercomponist Heinz Gietz schreef enkele liedjes voor haar en ze trad op met onder meer Paul Kuhn. Intensieve relaties met hun Duitse collega’s werden ook onderhouden door de Nijmeegse drummer Pierre Courbois en de Enschedese toetsenist Jasper van ’t Hof. Vanaf 1964 speelde Pierre Courbois met Manfred Schoof, Alexander von Schlippenbach en Buschi Niebergall in het Heartplants Quintet van de saxofonist en vibrafonist Gunter Hampel. Mede dankzij dit kwintet, dat midden jaren zestig door heel de wereld trok, werd Courbois bekend binnen de jazzwereld. Samen met pianist Jasper van ‘t Hof richtte hij eind 1969 het ensemble Association P.C. op, met de Duitse gitarist Toto Blanke (gitaar) en basgitaristen Sigi Busch of Peter Krijnen. Hiermee toerde hij gedurende de jaren zeventig ook weer in de hele wereld. Van ’t Hof speelde eind jaren zeventig in het kwintet van de Duitse trompettist Manfred Schoof – ze deden in 1976 een grote Aziatische tour – met Michel Pilz (klarinet), Eberhard Weber (bas) en Ralph Hubner (drums). Hij had Schoof al leren kennen tijdens de diens workshops in Remscheid eind jaren zestig waar hij als jonge pianist de eerste kneepjes van het vak bij hem leerde (Riesewijk, 2017, pp. 38-40).
Omgekeerd wisten en weten veel Duitse jazzmusici de weg naar Nederland te vonden. De kroniek van Jazzpodium De Tor is bij uitstek geschikt om daar enig zicht op te krijgen. Zonder enige volledigheid te pretenderen, noem ik een aantal voorbeelden. Ulli Wentzlaff-Eggebert is een bekende verschijning in Jazzpodium de Tor. Zijn bas-bijdragen aan de Dual City Concert Band, Borboleta music, het trio Robinson, Freitag and Caruso en talloze andere combinaties (waaronder het kwintet Mosquito) zijn altijd van hoogstaand en swingend niveau. Zijn eerste optreden in De Tor was op 13 januari 2006 in de Young Vips-tour met de Nederlandse pianist Christoph Mac-Carty en Duitse drummer Yonga Sun. Yonga maakte al in november 2005 zijn debuut in de Tor in het kwartet van Robert Jan Vermeulen en Frans Vermeerssen. De Duitse pianist Sebastian Altekamp speelde al in mei 1992 in de Tor bij het Twentse Saxofoon Treffen. Het was ook zijn eerste optreden met bassist Ruud Ouwehand, er zouden er nog vele volgen. In 2025 zelfs twee keer: in mei bij de presentatie van hun gezamenlijke LP en in juni bij de Jazz Jumelage op het Landgoed Algoed in het kader van 1250 jaar Westfalen. Organisator van die Jazz Jumelage was drummer Sebastian Netta. Zijn historie in De Tor is betrekkelijk recent. In maart 2023 speelde hij er voor het eerst met bassist Jeroen Vierdag in het trio van pianist Mike del Ferro het programma ‘Opera meets Jazz’. Een andere Duitse inbreng op de Jazz Jumelage van 2025 werd verzorgd door zangeres Romy Camerun. In oktober 2006 was ze al met Peter Nieuwerf (gitaar) en Philip Pumplün (drums) te gast bij Ruud Ouwehand, in oktober 2009 met opnieuw Peter Nieuwerf en in oktober 2018 met Sebastian Altekamp. Ulli Wentzlaff-Eggebert, Sebastian Altekamp en Yonga Sun zijn in ons land ook als docent actief, en Ruud Ouwehand was jarenlang docent in Bremen. Een belangrijke link met Duitsland voor Nederlandse jazzmusici zijn ook de Duitse platenstudio’s, in 2025 nog de CD ‘Salud’ van Ewout Dercksen met de Dual City Concert Band opgenomen in Osnabrück.
Het meest expliciet wordt de kruisbestuiving tussen de Nederlandse en Duitse jazz belichaamt door de Duitse tenorsaxofonist Paul Heller, zeker niet alleen door zijn huwelijk met de Nederlandse zangeres Fay Claassen. Ik zag Paul Heller voor het eerst op woensdag 5 oktober 2016 in Theater Bouwkunde in Deventer als gast van het Millennium Jazz Orchestra (MJO) van Joan Reinders. Natuurlijk speelde hij toen ook zijn swingende compositie Chatterbox, dat ook op de CD ‘Nasty Bugs’ uit 2006 staat van de Dual City Concert Band. Het MJO had en heeft meerdere Duitse connecties. Tenorsaxofonist Volker Winck speelde enkele jaren in het MJO, speciaal voor hem schreef Joan Reinders de compositie V.W. (te vinden op de CD ‘Safety Zone’ uit 2014). Ook pianist Dirk Balthaus, drummer Felix Schlarmann en de gebroeders Sperzel uit Schlüchtern (in Hessen) – Gregor op trombone en Florian op trompet en flugelhorn – maken deel uit van het MJO.
Ack van Rooyen en Paul Heller
Ik noem drie bijzondere vormen van samenwerking van Paul Heller (ook lid van de gerenommeerde WDR-bigband) met Nederlandse jazzmusici. De eerste is de CD ‘Trio’ die hij in 2015 maakte met Ruud Ouwehand en drummer John Engels. De tweede is de CD die hij met Ack van Rooyen opnam ter ere van diens 90-jarige verjaardag in 2020. Deze CD kwam uit in 2021 en was een mooie Nederlands-Duitse coproductie met, naast Paul en Ack, Hubert Nuss op piano, Peter Tiehuis op gitaar, Ingmar Heller op bas en Hans Dekker op drums. De derde is de CD ‘United’ (genoemd naar een nummer van Paul Heller) van de bigband Dutch Jazz Collective uit Rotterdam (met ook weer Gregor Sperzel op de trombone), in juni 2025 opgenomen in Lantaren Venster, met als dirigent Nils van Haften. Paul Heller en de Nederlandse trombonist Ilja Reijngoud waren meer dan gasten op deze CD. Ze namen ieder de helft van de composities voor hun rekening.
Kortom: dat de Duitsers niet van jazz hielden, gold voor het verleden, maar nu lusten ze er wel pap van. Zelfs met de Frankfurter Schule kwam het nog goed. Haar bekendste vertegenwoordiger vanaf de zestiger jaren Jürgen Habermas heeft zelf geen specifieke werken over jazzmuziek geschreven, hij staat bekend om zijn theorie van het communicatieve handelen en deliberatieve democratie. Maar zijn theorieën worden in de academische literatuur wel vaak toegepast op jazz, met name als een metafoor of analogie voor democratische processen en sociale interactie. Jazz wordt daarin gezien als een vorm van communicatieve actie, waarbij de muzikanten via muzikale “argumenten” (noten, ritmes) een gezamenlijk doel bereiken, ondanks de onvoorspelbaarheid van de performance. De belangrijkste woordvoerder van de Frankfurter Schule op dit moment Hartmut Rosa (2016), geeft de muziek een centrale plaats in de resonantiesfeer van kunst, natuur en religie. In tegenstelling tot veel eerdere sociologen binnen de kritische traditie maakt hij geen onderscheid tussen klassieke muziek en andere genres. Voor Rosa zijn alle genres even belangrijk voor het creëren van een innerlijke resonantie.
Literatuur
Jay, Martin (1973). De dialectische verbeelding: Een geschiedenis van de Frankfurter Schule en het Institut für Sozialforschung. AMBO Basisboeken.
Riesewijk, Hans (2017). Jasper van ’t Hof: Een romanticus uit notenhout gesneden. Uitgeverij Schallinck.
Rosa, Hartmut (2016). Leven in tijden van versnelling: Een pleidooi voor resonantie. Boom.
Een uitzending van het NOS-programma Nieuwsuur van 5 januari van dit jaar geeft een nogal verontrustend beeld van de sfeer in het lokaal bestuur. Veel lokale bestuurders stoppen vanwege intimidatie en bedreigingen. Bijna de helft van alle lokale politici geeft aan te maken te hebben gehad met agressie en intimidatie. Die bedreigingen zijn steeds meer op de persoon gericht, blijkt uit recent onderzoek van Ipsos I&O in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hiermee zet de langjarige trend van toenemende agressie zich voort, al is ten opzichte van 2022 de verbale agressie licht afgenomen. Andere vormen van agressie tegen politieke ambtsdragers, zoals bedreiging, intimidatie en fysieke agressie, bleven in vergelijking met twee jaar geleden op ongeveer hetzelfde niveau. Het totaalcijfer van 2024 (45%) ligt hoger dan in 2020 en over de afgelopen tien jaar tijd gaat het bijna om een verdubbeling (Ipsos I&O, 2024). Nieuwsuur laat drie lokale bestuurders aan het woord die om die reden in 2024 hun afscheid hebben aangekondigd. Marion van der Kleij, raadslid en oud-wethouder voor de lokale partij PRO Gulpen-Wittem en eerder raadslid voor GroenLinks in de gemeente Gulpen-Wittem, vond de sfeer ziek, het wantrouwen groot en de politiek te persoonlijk: te veel op de man gericht en niet op de inhoud. Marcelle Hendrickx, wethouder in de gemeente Tilburg voor D66, hekelt niet alleen de lange werkweken, maar kreeg ook te maken met stalking, en met bizarre beschuldigingen, waarvan ook haar familie en vrienden last kregen. Anton Ederveen – hij was achttien jaar burgemeester van de gemeente Valkenswaard voor het CDA – werd bedreigd door criminelen: dat is niet nieuw, maar de heftigheid daarvan is de laatste jaren wel toegenomen (Tops et al., 2023).
Het lokale bestuur verkeert kortom in een sfeer van onbehagen die we de ‘blues’ kunnen noemen. Inspiratie om uit deze sfeer van onbehagen te komen, kunnen we gelukkig vinden bij de ‘jazz’. Hans Boutellier (2015) constateerde tien jaar geleden al dat we leven in een improvisatiemaatschappij die even onvoorspelbaar als inspirerend is. Ze genereert onbehagen, maar ook nieuwe dynamiek. Vooral van gemeenten, die dicht bij de zorgen en de kracht van mensen staan, wordt verwacht dat zij tot nieuwe vormen van samenleven komen. Daarvoor is een nieuwe bestuursstijl nodig, die zich laat samenvatten in een tiental door Boutellier (2015, pp. 13-34) helder geformuleerde principes, die zijn geïnspireerd op de metafoor van de jazzmuziek: (1) continuïteit garanderen: de kwestie van het algemeen belang; (2) thema’s en principes formuleren: tussen beleid en realisatie; (3) faciliteren en begrenzen: de kanaliserende overheid; (4) het momentum bepalen: van planning naar timing; (5) problemen en kansen zien: van klanten naar mensen; (6) wederkerigheid creëren: de kwestie van betrouwbaarheid; (7) duidelijkheid creëren: betekenisvolle communicatie; (8) goed experimenteren: reductie van onzekerheid; (9) aandacht hebben: het belang van nabijheid; (10) durven kiezen: het primaat van de politiek. Voor de organisatie van een extreem ingewikkelde menselijke samenleving is jazzmuziek volgens Boutellier een betere metafoor dan een zwerm spreeuwen of een snelweg. In een improvisatiemaatschappij heerst ook een ogenschijnlijk chaotische toestand, die tegelijk zorgvuldig gestructureerd is. Geslaagde improvisatie vereist een goede voorbereiding en als dat lukt, dan is het misschien wel de hoogste vorm van menselijke organisatie (Boutellier, 2015, p. 10).
Overigens is de sprong van de blues naar de jazz in de praktijk wellicht minder groot dan het op het eerste gezicht lijkt. De jazz is voortgekomen uit de blues (Kuyper, 1992, pp. 15-22). Heel mooi wordt dat aangetoond in de titel van een van de beste jazzplaten aller tijden: The blues and the abstract truth van Oliver Nelson uit 1961, met daarop de wereldberoemde compositie ‘Stolen moments’. De jazzmuziek vertrekt vanuit de blues, bij het gevoel van onbehagen, maar zij blijft daarin niet hangen. Vanuit het idee van de ‘abstract truth’ gaat zij op zoek naar algemene principes die de basis vormen voor alternatieve manieren van kijken naar de muziek en de samenleving. Het is niet voor niets dat de jazz net als de filosofische stroming van het pragmatisme zijn wortels heeft in de Verenigde Staten. In het pragmatisme is rationeel handelen namelijk een mix van geloof en twijfel. Deze mix verandert voortdurend door een confrontatie tussen drie elementen: de ervaring van de actuele werkelijkheid, het inzicht in de mogelijkheden die de actuele werkelijkheid in zich draagt, en de algemene regel waartoe het gebeurde strekt. Het biedt daarom een meer dynamische kijk op de betrekkingen tussen de overheid en de burger in het lokaal bestuur (De Jong, 1992). Net als in het pragmatisme gaat het in de jazz altijd om een combinatie van twee kwaliteiten: verbeeldingskracht en improvisatievermogen; het zijn twee zijden van dezelfde medaille. Naar mijn mening ook een goed voorbeeld voor gemeenten.
De beste manier om dat te ontdekken is natuurlijk om dat live te ervaren in een van de vele jazzpodia in Nederland. In mijn eigen stad Enschede is het mogelijk iedere vrijdagavond live jazz te beluisteren in Jazzcafé De Tor. Het is een jazzpodium dat al sinds 1970 bestaat en dat geheel wordt gerund door vrijwilligers (onder wie een raadslid van de gemeente Enschede), maar dat uiteraard niet kan draaien zonder de steun van sponsoren en subsidiegevers, waaronder de gemeente Enschede. De burgemeester van Enschede is jaarkaarthouder en een regelmatig bezoeker van De Tor. Gerrit van Poelje zei het al in 1936 (nota bene in Almelo): de moderne gemeente is een ‘cultuurgemeente’. In de moderne staat ontleent de gemeente volgens hem haar bestaansrecht vooral aan de vervulling van de culturele taak (Van Poelje, 1954). Lokaal bestuur: blijf niet hangen in de blues, omarm de jazz!
Literatuur
Boutellier, H. (2015). Lokaal bestuur in een improvisatiemaatschappij: Tien principes voor geïnspireerd doen samenleven. Boom Lemma.
De Jong, H. M. (1992). Twijfel en verantwoordelijkheid in het recht (oratie). Universiteit Twente.
Ipsos I&O. (2024). Monitor Integriteit en Veiligheid 2024. Deel 2: Agressie en intimidatie (Rapportnummer 2024/221).
Kuyper, R. (1992). Jazz in stijl: Handboek voor musici en liefhebbers. Elmar.
Tops, P. W., Van der Torre, E., & Muller, E. (2023). Georganiseerde misdaad en ondermijning (in Nederland) vanuit bestuurskundige optiek. In T. Overmans, M. Honingh, & M. Noordegraaf (Red.), Maatschappelijke bestuurskunde: Hoe verbindende bestuurskundigen (kunnen) inspelen op maatschappelijke vraagstukken (pp. 149-168). Boom bestuurskunde.
Van Poelje, G. A. (1954). De culturele taak van de gemeente. In Wet en wezen: Uit de geschriften van prof. dr. G.A. van Poelje over de Nederlandse gemeente (pp. 147-155). N. Samsom.
Vrijdag 10 mei is het podium van Jazzpodium de Tor in Enschede voor de Enschedese zanger/cabaretier Oscar Rodenburg. Een nieuwe ster aan het muzikale firmament van Nederland. Oscar slaat een brug tussen jazzmuziek en cabaret. Kan dat? Nou en of….
De relatie tussen jazzmuziek en cabaret is een fascinerend en dynamisch aspect van zowel de muziek- als de podiumkunstwereld. Beide kunstvormen hebben een rijke geschiedenis en zijn nauw verbonden door gedeelde kenmerken, invloeden en artistieke benaderingen. In deze beschouwing wil ik graag verkennen hoe jazz en cabaret elkaar beïnvloeden, hoe ze samenwerken en elkaar versterken, en welke unieke elementen ze aan elkaar toevoegen.
Gedeelde ‘roots’
Ten eerste is het belangrijk om te erkennen dat zowel jazzmuziek als cabaret hun wortels hebben in de culturele smeltkroes van de vroege 20e eeuw, met name in stedelijke centra zoals New York, Parijs en Berlijn. In deze bruisende metropolen kwamen verschillende culturele tradities en gemeenschappen samen, wat resulteerde in een uitwisseling van ideeën, stijlen en uitdrukkingsvormen. Jazz ontstond uit de Afro-Amerikaanse muzikale tradities, terwijl cabaret een product was van de Europese vaudeville en variététradities.
Improvisatie en spontaniteit
Een van de meest opvallende overeenkomsten tussen jazz en cabaret is hun nadruk op improvisatie en spontaniteit. Zowel jazzmuzikanten als cabaretiers staan bekend om hun vermogen om in te spelen op het moment, om te reageren op het publiek en om creatieve beslissingen te nemen in real-time. Dit aspect van spontaniteit zorgt voor een levendige en interactieve ervaring voor zowel de artiesten als het publiek, en het creëert een sfeer van intimiteit en authenticiteit die kenmerkend is voor zowel jazzclubs als cabaretzalen.
Tekstuele en verbale expressie
Daarnaast delen jazz en cabaret een sterke nadruk op tekstuele en verbale expressie. Terwijl jazzmuzikanten zich uitdrukken door middel van instrumentale improvisatie, gebruiken cabaretiers woorden, humor en poëzie om hun verhalen te vertellen en hun emoties over te brengen. Deze complementaire benaderingen van expressie kunnen samenkomen in vormen zoals scat singing, waarbij vocalisten jazzmelodieën improviseren met nonsensicale syllaben, of in cabaretnummers die elementen van jazzharmonie en -ritme bevatten.
Bovendien hebben jazzmuziek en cabaret elkaar historisch gezien beïnvloed en geïncorporeerd. Jazzstandards zijn vaak opgenomen in het repertoire van cabaretiers, die ze opnieuw interpreteren en aanpassen aan hun eigen stijl en thema’s. Evenzo hebben cabaret-invloeden hun weg gevonden naar de jazzwereld, met artiesten als Duke Ellington en Nina Simone die elementen van humor, satire en maatschappijkritiek in hun muziek hebben verwerkt.
Vernieuwing en experiment
Tot slot biedt de relatie tussen jazzmuziek en cabaret een vruchtbare bodem voor artistieke vernieuwing en experiment. Beide kunstvormen hebben een traditie van het uitdagen van conventies en het verkennen van nieuwe mogelijkheden voor expressie. Hedendaagse artiesten zoals Gregory Porter, Stacey Kent en Amanda Palmer combineren jazz en cabaret op inventieve en eclectische manieren, wat resulteert in een levendige en gevarieerde artistieke scene.
Kortom, de relatie tussen jazzmuziek en cabaret is een intrigerend en vruchtbaar terrein voor artistieke uitwisseling en exploratie. Door hun gedeelde nadruk op improvisatie, verbale expressie en vernieuwing, verrijken en versterken deze twee kunstvormen elkaar op unieke en boeiende manieren, wat resulteert in een rijke en dynamische culturele uitwisseling.
Dat kon wel eens heel leuk worden, daar in De Tor……
Vrijdag 26 april zit ‘ie weer achter z’n drumkit, drummer Eric Ineke. Volgens de onvolprezen TOR-KRONIEK deed hij dat al meer dan honderd keer in De Tor.
Vrijdag de 26ste april niet in de Tor, maar in Mystiek Theater, waar hij deel uitmaakt van het trio Rein de Graaff.
Om alvast een beetje in de stemming te komen vind je op JAZZ-RADAR een interview van Eddy Westveer met de meester dat we je niet willen onthouden.
Nou nou, wat een feest daar in De Tor, een van de oudste jazzriolen van Nederland.
Tenorsaxofonist Scott Hamilton kennen we van zijn studioalbums van de jaren negentig, waarop hij veelal bedaagd als een vermoeide patriarch speelt. Goed, de cd 'East Of The Sun' misschien daargelaten. Hier heeft hij snel snel een slobberkostuum aangetrokken en met ongekamde haren en een baard van drie dagen is hij het podium opgesprongen. De tent werd zonder pardon op haar kop gezet. De muzikanten inspireren elkaar en het publiek inspireert net zo makkelijk terug.
In één couplet van 'Pennies From Heaven' kan de tenorist even rust nemen, omdat de aanwezigen het uit volle borsten voor hun rekening nemen. Moeder, alle beren zijn los, met andere woorden. In de uptempo nummers is hij meer Dexter Gordon dan Ben Webster, met wie hij in het begin van zijn loopbaan frequent werd vergeleken. Het is alsof de wind ons naar het land van Oz heeft geblazen, waarbij de tovenaar ons boven de jaren veertig heeft losgelaten. Onvermoeibaar tovert Scott Hamilton nieuwe variaties uit zijn hoge hoed.
Ik denk dat ik Hamilton met het trio van pianist Rein de Graaff tijdens diezelfde tournee in Groningen heb gehoord. Maar in de Martinistad kwam het gezelschap toch minder spectaculair van de grond dan daar in Tukkerije.
Dit bijzondere, theatrale muziekproject vertelt het verhaal van De Rivier en De Mens. Een spannende dialoog over de toekomst van hun relatie, over de natuur, onwetendheid, conflict, harmonie, schoonheid, hoop en verzoening. Geïnspireerd door het avontuurlijke boek Drinkbare Rivieren van Li An Phoa componeerde orkestleider Joan Reinders, met tekstdichter Marieke Meischke, songs en spoken word over een turbulente reis van De Rivier in ontmoeting met De Mens, vanaf de bron tot de uitstroming in de zee. Alle aspecten van het stromende water en ook de steden die worden doorkruist, flora, fauna en vervuiling, passeren de revue en komen tot uiting in de woorden, de orkestrale muziek en de betoverende visuals van prijswinnende natuurfilmers Arthur de Bruin & Dick Harrewijn. Laat je onderdompelen in deze roerige reis, een muzikale vertelling waarin de uitersten van klassiek, jazz en hiphop samenkomen.
Al ruim dertig jaar hou ik vol dat er maar drie cd’s nodig zijn om de kerstperiode door te komen. Het is best aardig dat er steeds weer nieuwe kerstcd’s verschijnen, maar nodig is het niet. Want met The Spirit of Christmas van Ray Charles (1985), Kerst met Bert & Ernie (1987) en When my heart finds Christmas van Harry Connick jr (1993) heb je verder geen kerstmuziek meer nodig. Deze drie. Meer hoeft niet.
En er zijn er natuurlijk veel meer. Zelf heb ik er een stuk of 350. En elk jaar komen er nieuwe bij. Maar deze drie zijn de ultieme kerstcd’s. Daar is verder nooit iets aan veranderd. Ik weet wel dat er veel mensen zijn die gewichtig doen over het feit dat Christmas Album van Phil Spector, de eerste kerstplaat in de popmuziek zou zijn. Klopt misschien ook wel, maar het was ook de eerste plaat waar Sleigh Ride het moest doen met herhalingen van de eerste acht maten. De rest van deze briljante compositie van Leroy Anderson vond meneer Spector te ingewikkeld.
En dan is het 2023.
Twee weken voor kerst komt Enschedeër Joris Bolhaar (1991) met de cd Jingle Bells Jazz Machine, met het orkest dat hij tien jaar geleden oprichtte, the New Sound Jazz Machine.
Om nou te zeggen dat de cd’s van Charles, Connick en Bert & Ernie de openhaard in kunnen is overdreven, maar de Jingle Bells Jazz Machine kan aan het illustere rijtje worden toegevoegd. Dit is een unieke kerstplaat van een enorm goede bigband, die vooral goed is vanwege de geestige en dwarse arrangementen van de muzikaal leider, bassist en trombonist Joris Bolhaar. Met respect veegt hij met alle clichés uit de kerstmuziek de vloer aan. Gevoelige momenten, genadeloze uptempo’s en veel muzikale grappen staan verantwoord naast elkaar. En prettig dat Joris eindelijk eens genadeloos afrekent met Driving Home for Christmas.
Wie de achterkant van het hoesje bekijkt, zal vaststellen dat de cd slechts tien verschillende kersttitels behandelt. Maar wie gaat luisteren zal vanzelf vaststellen dat op de cd genoeg citaten uit het gehele kerstrepertoire zijn opgenomen. Deze cd is een mooi gebaar naar de velen die vrijdag niet bij het al heel lang uitverkochte concert in De Tor aanwezig kunnen zijn. En voor het Wilminktheater lijkt me het een logische stap om volgend jaar te gaan samenwerken met De Tor, zodat deze bigband een nog veel groter publiek kan bereiken.