Als columnist van 1Twente moest ik het wel over Toots Thielemans laten gaan. Het is december jazzmaand, Het laatste jaar dat je kunt zeggen dat Toots 99 jaar geleden geboren is.
Het verbaast me niks. De 80-jarige Toots is veel te moe voor het afgesproken interview. Als ik in Den Haag op North Sea Jazz 2002 op het jazzy tijdstip ‘round midnight zijn kleedkamer binnenkom, tref ik bovendien een droeve Toots. Het duo-optreden van zojuist heeft hem aangegrepen. Hij heeft de tranen in zijn ogen staan. Toots stelt voor het interview te verplaatsen naar zijn hotel. De volgende ochtend, na het ontbijt. Dan heeft hij alle tijd. Hij zou pas ’s middags naar New York vliegen.
ontbijt
De volgende dag loop ik het afgesproken hotel binnen met een paar onderwerpen in mijn achterhoofd. Een daarvan is zijn herkenbaarheid. Hoe kun je op zo’n goedkoop instrument als een mondharmonica zo spelen dat iedereen weet dat het Toots is. Waar komt die typische Toots-stijl vandaan?
In de inmiddels leeggelopen ontbijtzaal, kom ik van alles te weten. En wat ik al vermoedde bevestigt Toots. De grote namen van mondharmonica hadden hem nooit beïnvloed. Nee. Allesbepalend voor zijn manier van spelen is Robbie Franken, meneer. Kent u die?
Die naam had ik niet verwacht. Natuurlijk ken ik Rob Franken. Eerst al vanwege het feit dat hij met zijn Fender Rhodes altijd in de omgeving van mijn favoriete gitarist Joop Scholten had verkeerd. En van Rogier van Otterloo natuurlijk, de filmmuziek van Turks Fruit.
Maar waarom noemt een wereldster als Toots anno 2002 een helemaal niet zo bekende Nederlandse muzikant, die al twintig jaar dood is als zijn belangrijkste muzikale invloed?
Hij vertelt over een kwartetje dat hij begin jaren zeventig met Rob Franken had. Toots vond zichzelf ouderwets, een beetje versleten spelen. En Rob soleerde zo prachtig, terwijl hij er zelf geringschattend over deed. ‘Het zijn maar loopjes’, zei hij altijd.’
Toots vertelt dat Rob hem in 1973 belde voor een schnabbel. 250 gulden zou hij krijgen. Met een bassist en drummer moesten ze twee uur de studio in om Fumu opnemen. Fumu was de afko van functionele muziek. Muziek voor in de supermarkt en in de lobby van hotels. Als Toots de opname die dag terughoort vindt hij het zo fris wat Rob had gespeeld, dat hij een kopie van de opnameband mee naar huis neemt. Hij is er zodanig in gaan knippen dat hij van alles wat ze hadden gespeeld alleen de solo’s van Rob Franken overheeft. ‘Die heb ik bestudeerd, meneer’, zegt Toots. Hij had er een cassettebandje van gemaakt die hij gebruikte zoals iemand die Russisch studeert of Chinees. Hij had zichzelf opgesloten en naar niets anders meer geluisterd dan naar de solo’s van Rob Franken.
En daar had Toots nog steeds profijt van, zegt hij. Robs spel is het belangrijkste onderdeel geworden van wat ze nu de typische Toots-stijl noemen.
Toots wekt niet de indruk dat hij dit verhaal eerder heeft verteld. De andere onderwerpen die deze ochtend ter sprake komen vallen allemaal weg tegen die onthulling van de allesbepalende rol van die pianist die in 1983 al was gestorven. Toots vindt dat zelf ook, want bij het afscheid drukt hij me nog op het hart: ‘Rob Franken, niet vergeten te noemen, meneer. Zet dat maar boven uw artikeltje: Rob Franken is the greatest.’
de zon
Ik voel dat ik – zoals dat in journalistieke kringen wordt genoemd – ‘een verhaal op de wal heb gesleept.’ En als ik het hotel uitloop maakt zich een zodanig gelukzalig gevoel van mij meester, dat ik geen oog meer heb voor de werkelijkheid. Als mijn vrouw belt dat het in Enschede zo hard regent dat de pas geplante druif zojuist uit onze piepkleine voortuin is weggespoeld, antwoord ik dat in Den Haag de zon schijnt. En pas als de verbinding verbroken is valt me op dat die paar mensen die op straat lopen allemaal een uitgevouwen paraplu in de lucht houden.
Het stukje jazzgeschiedenis over Toots leg ik vast in het zomernummer van het tijdschrift Jazz Nu. Zo, nu weet de wereld hoe het zit met die stijl van Toots, stel ik tevreden vast. Telefoontje van drummer Eric Ineke. Hij had de Jazz Nu gelezen. Die opname, daar was hij dus bij geweest als drummer. En dan maakt hij een opmerking die nog lang zou nadreunen in mijn hoofd. ‘Ik heb er nog een band van, zal ik die opsturen?’
Als de post de spoel aflevert kan ik er de eerste weken alleen maar met ontzag naar kijken. Jazzgeschiedenis, die ik kan ontsluiten. Maar ja, hoe? Na tussenkomst van een handige kennis met een bandrecorder met wat later zou blijken enigszins vervuilde koppen, belanden de opnamen op mijn computer, zodat ik er cd’tjes van kan bakken voor mijn vriendenkring. Ik doe dat op bescheiden schaal en ik zeg er altijd bij: Dit is Fumu. Zo klinkt jazzgeschiedenis, hier hoor je waar de stijl van Toots vandaan komt.
Als ik Toots een paar jaar daarop telefonisch voor Tubantia interview vanwege het feit dat hij naar Enschede komt voor een optreden met het Millennium Jazz Orchestra breng ik ook Fumu nog even ter sprake. Ik bied aan om er een cd voor hem van te bakken. Oh, wat zou hij daar gelukkig van worden, zingt hij in mijn oor. Ik moet beloven dat ik dat zal doen.
Ik ben helaas niet in het land als hij naar Enschede komt. Maar er ligt een versgebakken Fumu-cd voor hem klaar. En naar het schijnt kwam Toots Fumu roepend de stad binnen.
Sesamstraat
Inmiddels is de naam Rob Franken steeds bekender geworden. Dat komt door radiomaker en producer Frank Jochemsen. Als kind was hij geobsedeerd door het cassettebandje Sesamstraat is jarig. Die muziek bleef hem intrigeren ook toen hij volwassen werd en hij uitvond dat die hypnotiserende fenderpiano werd bespeeld door Rob Franken.
Frank Jochemsen maakte een radio-documentaire over Rob Franken. En twee jaar geleden bracht hij een box uit met drie Rob Franken-cd’s. Daar kreeg hij een Edison voor.
En vorige week belde hij me op. Hij heeft de hand gelegd op alle Fumu-opnamen van Toots met Rob Franken. Het was niet bij de ene Fumu gebleven, er waren er nog meer geweest. Begin volgend jaar worden ze officieel uitgebracht door het Nederlands Jazzarchief. Drie cd’s in een doosje. En daar moeten nog linernotes bij zoals hoesteksten tegenwoordig heten. Of ik die wilde maken. Ja, wat zeg je dan?
Inderdaad: eerst maar eens een column voor 1Twente, dan kijken we verder.
Natuurlijk is het podium van de Tor/ Mystiek Theater wel eens drukker bevolkt geweest dan vrijdagavond, maar dan ging het meestal om een bigband, zoals twee weken daarvoor. Andere concerten kennen een minimale bezetting van twee, maar een heus oktet kan tot de uitzonderingen worden gerekend. Gitariste en componiste Corrie van Binsbergen had maar liefst zeven andere muzikanten meegenomen om gezamenlijk haar toondichten ten gehore te brengen.
Zit ik daar in De Tor. Half januari 1984. Ik heb al een paar stukjes voor de krant geschreven. Over een koortje hier, brassbandje daar. Een avond van Jazzclub Almelo, een dixielandfestivalletje in Winterswijk. Maar deze avond is andere koek. Hier gaat het om het grote werk. Echte jazz. Het kwartet van de Amerikaanse altsaxofonist Lou Donaldson. Een levende legende die in Enschede speelt.
Een paar maanden daarvoor heb ik schriftelijk contact gezocht met de hoofdredacteur van Tubantia. Ik wil wel over jazz schrijven, laat ik weten. Ik had geconstateerd dat jazzmedewerker Peter de Zwaan steeds meer tijd in filmrecensies stak. Ik had er niet bij gezet dat ik ook vond dat deze jazzmedewerker zichzelf tegensprak. Hij had een keer geschreven dat de basgitaar met harde hand uit de jazz verwijderd diende te worden. Maar niet lang daarna deed hij enthousiast over de rol van Marcus Miller bij Miles Davis. Op z’n basgitaar!
Goed dat ik dat niet in mijn sollicitatiebriefje had gezet. Want niet de hoofdredacteur nodigt me uit voor een gesprekje, maar Peter de Zwaan zelf. Het eerste dat hij me duidelijk maakt is dat hij geen medewerker is, laat staan een jazzmedewerker. Hij is chef van de kunstredactie. Naïef als ik was dacht ik dat iedereen die bij een krant niet aantoonbaar tegenwerkt, een medewerker is. Veel verder kun je er in de krantenwereld niet naast zitten. Een medewerker is het laagste in rang. Die heeft geen aanstelling, die heeft geen bonussen. Een medewerker heeft niets te vertellen. Dat is iemand die wordt gebeld om tegen betaling een klusje te doen waar redacteuren met een dienstverband geen trek in hebben, dan wel geen verstand van hebben. Die moet je zeker niet verwarren met een chefs kunst. En al helemaal niet in de jaren tachtig van de vorige eeuw, de tijd dat kunst nog een belangrijk onderdeel van de samenleving is. En dus van belang voor een krant. Het is de tijd dat kranten nog een veelkoppige kunstredactie hebben, die dagelijkse kunstpagina’s maken en wekelijkse kunstbijlagen. En helemaal bovenaan zo’n redactie staat een chef. Peter de Zwaan is zo’n chef en die verklaart me die middag tot jazzmedewerker van Tubantia.
UITVRETER
Mijn motieven zijn niet zo nobel. Ik wil gratis naar concerten. En elpees opgestuurd krijgen, daar trek ik mijn neus ook niet voor op.
Maar in de winter van 1984 zit ik dus in De Tor voor mijn eerste grote jazzrecensie: Lou Donaldson. Ik voel me helemaal niet op mijn gemak. Bij de ingang heb ik moeten zeggen dat ik van de krant ben. Ik heb een zelfbedachte perskaart laten zien: een visitekaartje waar ik met een pritstift een pasfoto op heb geplakt. Veel liever had ik het pand betreden als gewone bezoeker. Ik word niettemin vriendelijk binnengelaten, maar ik zie ze denken: daar heb je weer zo’n uitvreter. Niks betalen, zijn drank zal hij wel declareren en dan aan het eind van de avond het pand verlaten met een gratis elpee onder z’n arm. En dan de volgende dag ook nog eens een betweterig stukje in de krant.
Ik zit daar en ik twijfel sterk aan mijn rol. Wil ik dit wel? Vijf jaar op een conservatorium rondgelopen. Weliswaar afgestudeerd met een scriptie over de leerbaarheid van jazz. Maar ik kan nog steeds nauwelijks noten lezen. En dan moet ik opschrijven hoe altsaxofonist Lou Donaldson het doet, een man die al veertig jaar in het vak zit, als het niet langer is?
Complicerende factor is dat Peter de Zwaan me heeft toevertrouwd dat hij een groot Lou Donaldson-fan is. Hij kan van bepaalde platen alle solo’s meefluiten. Stel dat Peter de Zwaan die avond ook nog langs komt, wat hij min of meer heeft beloofd. Dan zou dat mijn ontmaskering betekenen. Hij heeft klinkend referentiemateriaal. Ik heb geen enkele plaat van Donaldson. En ik heb er die week ook geen een kunnen kopen. Ik ken Donaldson alleen uit de jazzencyclopedie. Ik weet niet hoe die klinkt, ik weet nauwelijks hoe hij eruit ziet.
ZONNEBRIL
Lou Donaldson zit voor aanvang van het concert heel vuil naar me te kijken vanachter een grote zwarte zonnebril. Ik zie hem denken: daar zit weer zo’n mannetje met een kladblok en een vulpen. Uitvreter. Die gaat opschrijven hoe ik speel. Wat ik fout doe. Als er iemand is die weet hoe ik speel en wat ik fout doe, ben ik dat zelf. Daar heb ik echt niet zo’n mannetje voor nodig.
Hij kijkt steeds kwader. Ik wil het liefst onder een tafeltje kruipen. Maar dat zou de gewenste anonimiteit bepaald niet ten goede komen.
Ik ben blij dat het concert begint. Niet alleen omdat ik dan verlost ben van dat akelige oogcontact met Lou Donaldson. Maar vooral omdat zojuist duidelijk is geworden dat die man met die zonnebril Lou Donaldson helemaal niet is. Lou Donaldson blijkt het olijke mannetje te zijn dat vlak voor aanvang met een vrolijk hoedje op zijn hoofd druk pratend met programmeur Peter Huijts het pand binnen is komen lopen. De norse man die ik voor Lou Donaldson heb versleten blijkt de pianist van het kwartet te zijn: Herman Foster. En die zonnebril blijkt hij niet op zijn hoofd te hebben om beginnende jazzrecensenten te intimideren, maar omdat hij zo blind is als een mol.
Woorden waarmee dirigent Bert Pfeiffer het concert van de Dual City Concert Band afsloot. Daarbij doelde hij niet eens zo zeer op zijn eigen bigband, al had dat zeker gemogen. Als het maar muziek was. Liefst goeie, natuurlijk.
Het is vrijdag-Tor-avond 5 november 2021 in het Mystiek Theater in Enschede. Als eerder geschreven: fijne plek, een prima alternatief voor de Walstraat die als ruimte minder Corona-proof is. Goede keuze. Het zal wel vloeken in de kerk der Tor-puristen zijn, maar het mag voor mij zo blijven. Sfeervol, intiem en toch de ruimte. Goed zitten, goed staan, beste catering (met onze eigen vertrouwde bediening) en bovenal een artiestenwaardig podium (desnoods twee, zo bleek de vorige keer). Tenslotte: volop parkeergelegenheid op eigen terrein. Tuurlijk, op deze plaats moet het over de act van deze vrijdag gaan, maar die ambiance draagt toch ook niet weinig bij aan het plezier van het geheel.
dirigent Bert Pfeiffer
Dat was dit keer de vertrouwde Dual City Concert Band, sinds mensenheugenis huisorkest van de club. Nu een aantal jaren geleid door Bert Pfeiffer, trombonist en met brede speel/arrangeer/dirigeer-ervaring in tal van vooraanstaande orkesten, zoals het Glenn Miller Orchestra, het Metropole Orkest, het Jazz Orchestra of the Concertgebouw, maar ook met Cuby and the Blizzards en de Band van André Hazes.
Dit concert is gekozen voor een thematische aanpak: het werk van arrangeur/componist (trompetist/pianist) Rob Pronk (Malang 1928 – München 2012) zoals dat is te horen op de plaat ‘It happend yesterday’, in 1968 opgenomen door the Rob Pronk Jazz-Orchestra.
De bezetting van dat orkest telt de grote namen van dat moment, zoals Piet Noordijk, Ferdinand Povel, Ack van Roojen, Erik van Lier, Frans Elsen, Rob Langereis, om er een paar te noemen. Grappig dat je diezelfde muzikanten ook vaak terugvindt in de andere orkesten van dat moment zoals bij de Skymasters, het toenmalige ‘Hobby orkest’, het orkest van Rogier van Otterloo of van Jerry van Roojen. Maar dat is nu weinig anders: in de verschillende orkesten zie je vaak dezelfde mensen terug, onder een ander label, in een wat andere samenstelling. Het leuke is dat die orkesten dan toch steeds anders klinken, niet in de laatste plaats door het gekozen repertoire en de opvattingen van de dirigent.
zachtjes aub …
Alle tien stukken op de ten voorbeeld gestelde LP van Pronk worden door de DCCB gespeeld: zes voor de pauze, vijf stukken erna. Met een bonus dus: The Preacher, destijds de afscheidstune van de Skymasters voor het radioprogramma Swingtime. Hoe het nu allemaal klonk? Zeer in orde.
het koper
Niet ten onrechte vroeg Pfeiffer aandacht voor de verschillende tutti-passages in de Pronk-arrangementen, als het gehele orkest tegelijk aan de gang was (hij stak soms zelfs zijn hand erbij op om het publiek erop te attenderen) en de gedeelten waarin de saxen of trombones als sectie afzonderlijk een feature hadden. Klonk heel goed, fijn om naar te luisteren.
Solistisch was het ook prima voor elkaar. Mooi verdeeld binnen de verschillende secties. Individuele kwaliteiten ruimschoots voor handen. Tot en met het slagwerk toe. Om hier dan toch één naam te noemen: drummer Dirk Ornée pakte zijn moment overtuigend.
de ritmesectie
Een avond die kan worden gerangschikt onder de rubriek ‘fijn concert’. Die thematisch aanpak bevalt wat mij betreft prima, geeft samenhang en de stukken komen niet als min of meer toevallig voorbij. Benieuwd naar het volgende project waarover Bert Pfeiffer en de DCCB zich gaan ontfermen. Kenny Clarke/Francy Boland?
Om met de dirigent af te sluiten: ‘Blijf luisteren, liefst naar goeie muziek!’ Daarvoor hebben we ook De Tor. Zo bleek deze avond maar weer.
Vrijdag 22 oktober 2021, in ‘de week van de amateurkunst’, de avond voor de jazz-amateurs. Voor liefhebbers dus, die ook wel eens op het Tor-podium willen. De vijfde keer al weer, deze formule. Niet op rij, vanwege C. Ook niet in de vertrouwde Walstraat, maar nog steeds in het Mystiek Theater. Misschien was dat wel een geluk bij een ongeluk. Dit tijdelijke onderkomen is niet alleen ruimer, met meer zitgelegenheid, maar bovenal heeft het twee serieuze podia. Met daar tussenin een royale bar en tafeltjes, stoelen, fauteuils, banken, kortom, je vindt er altijd wel een plekje. En het heeft nog sfeer ook.
organisator Peter Westers
Voor regelaar vanaf het eerste amateur-event, Peter Westers (wat stopt die man sinds jaar en dag een tijd en energie in De Tor! Dat moet hier toch eens vermeld), waren die twee podia een uitkomst. De zeven acts die hij deze keer had geprogrammeerd (weten te verleiden), waren verdeeld over de beide podia: na de eerste band speelde de volgende op het andere podium en zo verder. Los ervan dat dit überhaupt al een levendig aspect had, bespaarde dat het publiek het vervelende wachten tot de volgende groep speel-gereed is. De ene is klaar en hop, naar de andere kant voor het volgende optreden. Je zoekt weer een nieuw plekkie en je ervaart het geheel gelijk weer eens vanuit een ander gezichtspunt. Op zich al leuk dus. Westers had zich wel rot te rennen tussen het afkondigen van de ene groep en de introductie van de volgende op het andere toneel. Maar dat ging bijna steeds goed. Een heel geslaagde aanpak, Peter! Die twee podia brachten wel mee dat er ook twee geluidsinstallaties nodig waren, bemenst door de twee huisspecialisten Marc en Pim. En ook dat ging goed. Veel woorden dus over de setting. Maar die droeg zeker bij aan een geanimeerde avond. Het was ook druk, uiteraard veel supporters, maar ook veel reguliere Tor-gangers die wel weer toe waren aan een avondje-jazzclub.
Dan het gebodene. Zeven gezelschappen variërend van duo tot sextet. Alle uit de regio. Wat trouwens opviel was dat zes van de zeven ook een vocalist(e) in hun midden hadden. Alleen de Hengelose groep ‘Square Jazztet’ (met de meest opmerkelijke play list – stukken die je zelden live hoort uitgevoerd en gestoken in aardige arrangementen – en daarmee hier de eerste eervolle vermelding), deed het zonder zang.
De ‘Jazz Singers‘ verkeerden aan de andere kant van het spectrum. Vijf zangers, dirigente/pianiste en percussie. De groep had een projectachtige aanpak. Elk lid had een nummer waarop hij/zij los kon gaan. Hier telde vooral het zing-plezier van de betrokkenen. Ik begreep dat het project met dit optreden ook weer ten einde is.
Martin ter Haar + Bert van der Veen (pi)
De avond werd geopend door een trio, genaamd ‘No Pressure’, een zangeres, gitarist en e-bassist. Het clubje bestond nog maar een maand en ze hadden, ook met het zeer vertrouwde repertoire, nog een beetje aan elkaar te wennen. Maar individueel niet verkeerd.
Twee duo’s met zang waren er: ‘Just the 2 of us’ en ‘Martin B. Jazzy’. Het eerstgenoemde is het intussen aardig vertrouwde duo van Tor-voorzitter/gitarist Willem Habers met zijn vrouw/zangeres Esther. Al meerdere jaargangen van dit event staan ze op het programma. En ze ontwikkelen gestaag door. Willem soleert nu ook, op zijn eigen, in een loep opgenomen begeleiding. Werkte prima, beslist meerwaarde.
Het andere duo was dat van Martin ter Haar met pianist Bert van der Veen. Een gelegenheidsclupje. Ze speelden deze avond voor het eerst samen. Amateurs? Misschien nog net, maar wel heel goeie. De niet bestaande prijs gaat wat mij betreft naar dit duo. Voor de overtuigende zang, het dito pianowerk en bovenal hun samenspel. Kijk, dat is jazz.
Djazz it up
Goede tweede wat mij betreft was ‘Djazz it up’ ook uit Hengelo e.o.. Zangeres, trombonist (pus elektra en zang), keyboard-speler, gitarist, e-bassist (plus zang) en slagwerk (plus zang). Meer popachtig repertoire, maar beslist ook de nodige jazz-ingrediënten. Verre van een cover-band in elk geval. En hoorbaar goed op elkaar ingespeeld. Zo’n band zou je graag op je feest hebben spelen. Onversneden jazz was er tenslotte weer van de uitsmijtende combo ‘5 on 2’. Zang, tenorsax, pi-b-dr. Jammer dat de individuele kwaliteiten hier wat uiteenliepen.
Na zeven acts achter elkaar had ik het eerlijk gezegd wel een beetje gehad. Maar door de goede organisatie, de vele changementen, de royale publieke belangstelling en het gevarieerde aanbod, werd het wat mij betreft een aparte en heel onderhoudende Tor-avond.
Het volgende concert is op vrijdag 5 november, weer in dat aardige Mystiek Theater, dan met de Dual City Concert Band. Aanrader!
Oktober is jazzmaand, dat is helaas vergeten. Daarom schreef Ton Ouwehand, als columnist van 1Twente, een column over jazz.
Het eerste dat me opvalt als hij de deur opent is zijn nek. Of eigenlijk het ontbreken ervan. Nou ja, hij heeft wel een nek, maar die staat niet recht op zijn romp. Zijn hoofd ligt op zijn rechterschouder. Dat was me al eens opgevallen toen ik hem in Carré zag spelen met zangeres Sarah Vaughan. Als hij niet speelde lag zijn hoofd op zijn schouder. Als hij een trompet aan zijn lippen zette stond zijn hoofd recht, zoals ik hem kende van de platenhoezen. Hij zal wel een stijve nek hebben, of iets anders tijdelijks, dacht ik toen. Het blijkt dus iets blijvends.
Maar ik zeg er niks over. Want als een levende jazzlegende me toelaat tot zijn woning, valt zo’n nek in het niet. Het gaat hier wel over Benny Bailey. Een Amerikaanse trompettist met een enorme staat van dienst. Er staat jazzgeschiedenis voor mijn neus. Hij speelde met de allergrootsten uit de jazz. En ik mag hem interviewen. Want hij komt in Enschede spelen op een jazzfestival. Een reunie-concert met zijn oude maatje Teddy Edwards. Ja hij mag dan een Amerikaanse grootheid zijn, hij woont in een keurig flatje in de Bijlmer. Tijdens de Bijlmerramp een paar maanden daarvoor dus ook. Hij loopt naar het raam en wijst in de richting waar zich een vliegtuig in een flatgebouw boorde. Gelukkig was hij niet thuis toen.
Wat gek zo’n Amerikaanse grootheid in zo’n typische Nederlandse flat. Helemaal eigenaardig is dat ik een KRO-gids op tafel zie liggen. Ik snap wel dat een in Nederland neergestreken Amerikaan wel eens televisie wil kijken. Maar waarom laat je je kijkgedrag leiden door de KRO? Zo’n gids koop je niet los. Daar moet je een abonnement op nemen. En dan ben je lid van de omroep. Benny Bailey, een van de beroemdste jazzmusici ter wereld is lid van de KRO.
SCHEISSE
Bij het afscheid vraagt hij of ik met de auto ben. Dat is het geval, geef ik toe. Kan ik hem dan een lift geven?
Uiteraard kan ik dat. Benny Bailey doet zijn jas aan, trekt en wollen muts over zijn scheve hoofd en loopt voor me uit de galerij over. We nemen de trap en even later zit hij naast me in onze rode Berlingo.
Er heeft nog nooit een beroemde zwarte jazzmusicus naast me in de auto gezeten, bedenk ik trots. En nou zit Benny Bailey daar. Met een wollen mutsje op zijn scheve hoofd . De beste trompettist ter wereld, had Dizzy ooit over hem gezegd. En Miles Davis trouwens ook.
Benny Bailey is bezig me naar de plek te loodsen waar hij wezen moet en zit verder vriendelijk zwijgend naast me.
Of het een wegomlegging is, een tegenligger die hij niet aan zag komen, of dat we misschien eerder naar rechts of naar links hadden gemoeten, ik weet het niet. Maar ineens roept Benny Bailey keihard: Scheisse!!
Hij heeft ook een tijdje in Duitsland gewoond, vandaar. Hij realiseert zich direct dat het geen nette schrikreactie is. Hij vraagt of er voor Scheisse ook een Nederlands woord is. Jawel, zeg ik: shit.
DE TOR
Een jaar of tien later komt er weer een concert met Benny Bailey nu in De Tor. Mijn nieuwe chef die zelf een beetje trompet speelt had het ook gelezen. ‘Met hem moeten we een interview hebben’, zegt hij, ‘dat is een grootheid.’
Ik zeg dat ik dat voor me rekening zal nemen. Ik ga er niet vanuit dat Benny Bailey me zich zal herinneren. Ik hoop het trouwens ook niet, want het interview zoals ik dat in Tubantia had gezet begon met zijn uitroep: Scheisse!! En ik had al gehoord dat hij daar niet blij mee was. Hij neemt de telefoon niet op. Ik spreek in op zijn antwoordapparaat, vraag of hij terug wil bellen. Omdat het niet gebeurt bel ik die week nog een paar keer. En de week erop elke dag.
Hij heeft nooit teruggebeld. Dat betekent: geen tweede interview in Tubantia. Ik ga wel naar het concert in De Tor. Dan blijkt dat het niet zo gek is dat Bailey nooit terugbelde. Bij de ingang wordt verteld dat het concert is afgelast omdat de trompettist is overleden. Luguber verhaal. Hij is dood gevonden in zijn huis. Het heeft nog een hele tijd geduurd voor ze hem vonden.
Shit, denk ik. En ik zie zijn keurige flatje voor me, in een wijk waar niemand dood gevonden wil worden. Het rode lichtje van zijn antwoordapparaat knippert om aan te geven dat het vol onbeluisterde berichten staat. Daar staan de mijne ook tussen. En in het halletje natuurlijk zo’n berg ongeopende post. Met één, misschien wel twee KRO-gidsen ertussen. Scheisse.