Het eerste dat me opvalt als hij de deur opent is zijn nek. Of eigenlijk het ontbreken ervan. Nou ja, hij heeft wel een nek, maar die staat niet recht op zijn romp. Zijn hoofd ligt op zijn rechterschouder.

Ik zeg er niks over. Want het is een jazzlegende die de deur voor mij opendoet. En dan valt zo’n nek in het niet. Benny Bailey. Een Amerikaanse trompettist met een enorme staat van dienst. Hij speelde met de allergrootsten uit de jazz. Met Dizzy Gillespie, Stan Getz, Lionel Hampton, Miles Davis, Sarah Vaughan.
Manhatten Transfer zong nog een lied over hem: Meet Benny Bailey, geschreven door Quincy Jones.

Ik mag hem interviewen. Want hij komt in Enschede spelen in de Tor. Ja hij mag dan een Amerikaanse grootheid zijn, hij woont in een keurig flatje in de Bijlmer. Tijdens de Bijlmerramp iets meer dan een jaar voor ik hem tref ook al, zegt hij desgevraagd. Hij loopt naar het raam en wijst in de richting waar zich een vliegtuig in een flatgebouw boorde. Gelukkig was hij niet thuis toen.

Wat gek zo’n Amerikaanse grootheid in zo’n typische Nederlandse flat. Helemaal raar is dat ik een KRO-gids op tafel zie liggen. Ik snap wel dat een in Nederland neergestreken Amerikaan wel eens televisie wil kijken. Maar waarom laat je je kijkgedrag leiden door de KRO? Zo’n gids koop je niet los. Daar moet je een abonnement op nemen. En dan ben je lid van de omroep. Benny Bailey, KRO-lid.

Bij het afscheid vraagt hij of ik met de auto ben. Dat is het geval, geef ik toe. Kan ik hem dan een lift geven?
Uiteraard kan ik dat. Benny Bailey doet zijn jas aan, trekt en wollen muts over zijn hoofd loopt voor me uit de galerij over. We nemen de trap en even later staan hij voor onze rode Berlingo.

Er heeft nog nooit een beroemde zwarte jazzmusicus naast me in de auto gezeten, bedenk ik trots. En nou zit Benny Bailey daar. Met zijn scheve hoofd. De beste trompettist ter wereld, had Dizzy ooit over hem gezegd. Na Dizzy zelf dan natuurlijk.

Benny Bailey is bezig me naar de plek te loodsen waar hij wezen moet.
Of het een wegomlegging is, een tegenligger is die hij niet aan zag komen, of dat we misschien eerder naar rechts of naar links hadden gemoeten, ik weet het niet meer. Maar ineens roept Benny Bailey keihard: Scheisse!!
Hij heeft ook een tijdje in Duitsland gewoond, vandaar. Hij realiseert zich direct dat het geen nette schrikreactie is. Hij vraagt of er voor Scheisse ook een Nederlands woord is. Jawel, zeg ik: shit.

Een jaar of tien later komt er weer een concert met Benny Bailey in De Tor. Mijn nieuwe chef die zelf een beetje trompet speelt had het gelezen. ‘Met hem moeten we een interview hebben’, zegt hij, ‘dat is een heel goede, beroemde trompettist.’

Ik zeg dat ik dat voor me rekening zal nemen. Ik ga er niet vanuit dat Benny Bailey me zich zal herinneren. Ik hoop het ook niet, want het interview zoals ik dat in Tubantia had gezet begon met zijn uitroep: Scheisse!! En ik had al gehoord dat hij daar niet blij mee was. Hij neemt de telefoon niet op. Ik spreek in op zijn antwoord apparaat, vraag of hij terug wil bellen. Omdat het niet gebeurt bel ik die week nog een paar keer. En de week erop elke dag.

Hij heeft nooit meer gebeld. Niet nog een interview dus in Tubantia. Ik ga wel naar het concert in De Tor. Dan blijkt dat het niet zo gek is dat Bailey nooit terugbelde. Bij de ingang wordt verteld dat het concert is afgelast. De trompettist is overleden. Luguber verhaal. Hij lag dood thuis. Het heeft nog een tijdje geduurd voor ze hem vonden.

Shit, denk ik. En ik zie in gedachten zijn keurige flatje, een plek waar niemand dood gevonden wil worden. Ik zie een antwoordapparaat voor me waarvan het rode lichtje hartstochtelijk knippert om aan te geven dat het helemaal vol berichten staat. En dan zo’n stapel ongeopende post in het halletje. Met één, misschien wel twee KRO-gidsen ertussen. Shit.